Wat is dan nog nieuw?

De G1000 is een hele mooie vorm van een (lokale) burgertop. Maar de wens tot invloed op beleid gaat wel ten koste van het vernieuwende karakter.

De G1000, ruim twee jaar later. Vorige week trof ik weer veel oude bekenden van het onderzoek dat we deden naar de G1000’s die in 2014 en 2015 waren gehouden, wat uitmondde in dit boek. We waren, soms tot teleurstelling van de initiatiefnemers, best kritisch op idee en uitvoering van de G1000. Voor mij het voornaamste punt was dat de G1000 te veel tegelijk wilde zijn: enthousiasmerend voor de deelnemers om ook the day after aan de slag te gaan met de voorstellen en sturend voor gemeenteraad en college om de voorstellen op hun beleidsagenda te zetten.

Met name het tweede aspect is door het Platform G1000 ter harte genomen. Hoe kun je de wereld van de G1000 verbinden met die van de lokale politiek? Er waren dan ook weer nieuwe gezichten bij deze bijeenkomst, van de meer recent gehouden G1000’s in Enschede en Steenwijkerland, waar heel bewust de verbinding met de politiek was gezocht. Sterker nog, daar waren het niet inwoners, maar de gemeenten die het initiatief hadden genomen. Bovendien was er niet van de gebruikelijke ‘open agenda’ sprake, waarbij de deelnemers tijdens de dag bedenken wat zij belangrijke onderwerpen vinden, maar was het onderwerp – respectievelijk vuurwerk en duurzame gemeente – vooraf bepaald. Wat wel was gebleven, was de opzet waarbij in kleine groepen aan tafels met elkaar wordt gesproken en de voorstellen zich in die gesprekken verder ontwikkelden.

Anders was ook de toevoeging van een Burgerforum en een Burgerbesluit als georganiseerd vervolg op de Burgertop. In het verleden werd het aan de deelnemers zelf overgelaten welk vervolg zij wilden geven en was het bovendien maar afwachten welke rol de gemeenteraad voor zichzelf zag weggelegd. Op basis van haar onderzoek naar deze G1000’s presenteerde Franziska Eckardt de eerste bevindingen over deze nieuwe werkwijze. In elk geval werd duidelijk dat in beide gemeenten de raad veel meer doet met de uitkomsten van een G1000 en dat het Burgerforum en het Burgerbesluit daar een belangrijke bijdrage aan lijken te leveren.

Kortom, de door G1000 beoogde invloed op het lokale beleid, die we in 2014 en 2015 maar heel beperkt zagen, lijkt door de nieuwe opzet groter geworden. Wat ik jammer vind is dat met het eerste aspect – hoe houd je het enthousiasme van de deelnemers vast en zorg je dat zij zelf aan de slag gaan? – veel minder is gedaan. Door je te richten op de lokale politiek en sterker aan te sluiten bij de beleidsagenda, worden de voorstellen die een G1000 maakt meer in dat systeem ingepast en erop aangepast. Bovendien lezen de Burgerbesluiten die zowel in Enschede als Steenwijkerland zijn geformuleerd vooral als opdrachten aan de gemeenteraad en het college. Wat inwoners zelf kunnen gaan doen, buiten de bestuurlijke en institutionele paden om, raakt ondergesneeuwd. En wie zou zich ook nog eigenaar voelen wanneer het onderwerp is bedacht door de gemeente?

De ironie is, zoals vaker met vormen van democratische vernieuwing, dat de wens om invloed te hebben ten koste gaat van de aanvankelijke eigenheid of originaliteit. Daarmee is G1000 een van de instrumenten geworden die kan worden ingezet bij voor de lokale politiek spannende onderwerpen. Op zich helemaal niets mis mee, sterker nog, in veel gevallen absoluut aan te raden. Maar nieuw is het al een stuk minder.

Politiek sensitief aan de slag

Leuk, die verkiezingen, maar nu begint het pas echt. Ambtenaren en politici gaan op zoek naar optimale verhoudingen in de nieuwe raadsperiode. En wij weten raad!

Nu de rook van de verkiezingscampagne is opgetrokken, alle stemmen zijn geteld (en waar nodig herteld) en de nieuwe gemeenteraden zijn geïnstalleerd, is het de hoogste tijd weer gewoon aan het werk te gaan. In het bijzonder geldt dat voor de ambtenaren van de 335 gemeenten die met nieuwe raadsleden en straks ook nieuwe wethouders te maken gaan krijgen. Ben je net een beetje gewend geraakt aan de stijlen, de stokpaardjes en de spanningen van raad en college, kun je (ten dele) weer van voren af aan beginnen.

Een ideaal moment om na te denken over wat het betekent om politiek sensitief te zijn en hoe je daaraan concreet invulling kunt geven. Dat vraagt allereerst een helder idee van wat je rol als ambtenaar is in het besluitvormingsproces en welke rol van de politiek wordt gevraagd. Vervolgens het geruststellende besef dat politici van wat ze belangrijk vinden, meestal geen geheim maken. Niet tijdens de campagne, maar ook niet straks in het collegeakkoord, in hun bijdragen in de commissie of de raad en uiteraard ook op (sociale) media. Weet je daar slim op in te spelen, met behoud van je inhoudelijke deskundigheid en zonder zelf politiek te gaan bedrijven, dan zul je merken hoe veel prettiger en soepeler politieke besluitvorming gaat verlopen.

Een aantal jaren geleden besloten Marike Simons, Maud van de Wiel en ik onze krachten te bundelen in een opleiding Politiek-bestuurlijke sensitiviteit. En zoals dat vaker gaat, groeide daarbij de behoefte om alles wat we zagen en hoorden van de deelnemers en wat we zelf aan kennis en ervaring opdeden, in een boek te vertalen. Van plan naar praktijk bleek nog best een flinke stap, maar trots kunnen we melden dat het boek er nu is. Het bevat zowel wat meer theoretische beschouwingen over de cyclus van beleid voorbereiden, maken en uitvoeren en de verhouding tussen de ambtelijke en de politieke wereld, als veel praktische voorbeelden en tips om politieke sensitiviteit in gemeente, provincie en waterschap concreet vorm te geven.

Politieke sensitiviteit voor ambtenaren: het geheime handboek is te verkrijgen via uitgever Amsterdam University Press of via bol.com

Nummer 31

Over de charme van lijstduwen op plek 31

Het is niet mijn lievelingsgetal en 31 heeft noch als 3+1 noch als geheel een bijzondere betekenis. Maar het is wel heel eervol in een mooie lange rij GroenLinkse lijstduwers te mogen staan voor de komende gemeenteraadsverkiezingen in Utrecht. En dan is 31 een prima plek.

Ik ga geen oproep doen om op mij te stemmen. Alhoewel je weet dat iemand die dat zo formuleert, het stiekem wel heel leuk zou vinden als een paar mensen dat toch doen. Een snelle rekensom leert dat een kandidaat ongeveer 800 stemmen nodig heeft om rechtstreeks in de raad te worden gekozen. De kans dat mij dat gaat lukken, lijkt mij bijzonder klein. Als voorzitter van de kandidatencommissie kan ik bovendien zonder twijfel zeggen dat er uitstekende kandidaten op de echt verkiesbare plaatsen staan.

Lijstduwen is voor mij dan ook vooral een teken van ondersteuning voor de kandidaten boven mij. Ze krijgen van ons een duwtje in de rug, om met frisse energie en ambitie verder te gaan. Als er toevallig iemand is die niet weet wat te stemmen, maar denkt ‘ach die nummer 31 is best een sympathieke vent’ dan is dat voor GroenLinks mooi meegenomen. Want elke stem telt als we weer de grootste van Utrecht willen worden.

 

Eerste hulp bij loting

Aan lokale experimenten met loting geen gebrek, maar hoe pak je zoiets nou het beste aan? Een toolkit om vooral te gaan dóen.

Het vuurtje van de loting is door David van Reybrouck succesvol aangestoken. Tegelijk leren de ervaringen van de afgelopen jaren in Nederlandse gemeenten dat het organiseren van experimenten met loting nog niet altijd zo makkelijk gaat. Om de boel weer wat aan te wakkeren en vooral  te gaan doen in plaats van te blijven hangen in denken, maakte ik samen met mijn Utrechtse collega Ank Michels een praktische handreiking voor lokale initiatiefnemers.

Deze toolkit loting, te vinden op een onlangs gelanceerde website over lokale democratie, behandelt drie belangrijke vragen die iedereen die iets wil met loting zichzelf zou moeten stellen. Allereerst: waarom zou je het doen? Vervolgens: wat wil je er mee bereiken? En dan: hoe ga je dat organiseren? Wat wij merkten in ons onderzoek naar de G1000 en ook bij latere experimenten, is dat loting voor sommigen een ononderhandelbaar principe is geworden, zonder dat de vraag wordt gesteld waarom loting het beste middel is om je doel te bereiken. Juist omdat bijvoorbeeld de beoogde diversiteit en representativiteit ook met loting lastig zijn te bereiken, is enige bezinning vooraf niet onverstandig.

Bovendien, als je eenmaal die 50, 150 of 500 gelote inwoners bij elkaar hebt, wat wil je dan dat de opbrengst is aan het eind van de dag? Wil je dat inwoners, door elkaar geïnspireerd, zelf aan de slag gaan met de ideeën die ze hebben bedacht? Of is het de bedoeling om de lokale politieke agenda te beïnvloeden door aandacht te vragen voor onderwerpen die de politiek laat liggen? Helpt het als je een afgebakend onderwerp hebt (bijvoorbeeld de herinrichting van een straat of het vergroten van de sociale veiligheid) of moet de agenda juist open zijn en door de deelnemers worden ingevuld?

Als je weet waar je het voor doet, dan zijn er nog heel veel verschillende mogelijkheden bij de praktische uitvoering. Heb je alleen adressen of ook achtergrondkenmerken (geslacht, leeftijd, opleiding) van mogelijke deelnemers? Welke kwaliteiten en vaardigheden zijn nodig in een organiserend team? Welke motivatoren helpen ervoor te zorgen dat de ingelotenen ook gaan meedoen? Gaan mensen vooral met elkaar praten, of zijn er ook andere vormen mogelijk om tot ideeën te komen?

Op basis van onderzoek dat in Nederland en in het buitenland is gedaan, maar vooral ook op basis van de ervaringen die in de praktijk zijn opgedaan, schetsen we in de toolkit kansen en risico’s en laten we aan de hand van voorbeelden zien welke aanpak lijkt te werken. Met de nodige slagen om de arm, omdat veel experimenten sterk van de context afhankelijk zijn en het nog altijd gaat om een te beperkt aantal om grote conclusies te kunnen trekken.

De Dag van de Lokale Democratie bood een mooi podium om de toolkit te presenteren. We hopen dat de toolkit veel gebruikt gaat worden en de eerste reacties die we kregen, stemden wat dat betreft positief. We nodigen ook iedereen uit om ons te helpen met opmerkingen en suggesties. Als het vuurtje van de loting zich uitbreidt, geeft het bovendien gelegenheid de toolkit aan te vullen en aan te scherpen.

De poppetjes

Het spel om de poppetjes in de kabinetsformatie hangt van toeval aan elkaar. Dat moet toch anders en beter kunnen?

Op 3 oktober leverde ik de voorspelling in voor de verdeling van de ministersposten die collega Marij en ik hadden opgesteld voor onze interne formatiepool. Dat is sowieso al een gok, vergelijkbaar met de voorspelling voor een EK of WK. Maar omdat op dat moment wel duidelijk was hoe veel ministers er zouden komen, inclusief de verdeling tussen de vier partijen, maar nog niet welke ministeries precies, hadden we nog een extra uitdaging. Bij een WK weet je wel van te voren welke landen meedoen en in welke poule zij zitten.

Uiteraard probeerden we enerzijds een logische indeling van ministeries en ministers te maken en anderzijds rekening te houden met de wonderlijke taferelen die zich altijd afspelen wanneer vier partijen het politieke spel van poppetjes gaan spelen. Maar dit zagen we toch niet aankomen. Ministeriabele kandidaten die met een staatssecretariaat worden afgescheept en niet al te briljante staatssecretarissen die met een ministerschap worden beloond. Maar bovenal: vrijwel iedereen op een ander ministerie dan waar je hem/haar logischerwijs zou verwachten.

Al jaren vraag ik me af of er iets van de recente inzichten uit zowel de organisatiewetenschappelijke literatuur als de literatuur over strategisch HRM op het Binnenhof is doorgedrongen. Want de manier waarop iedere formatie met beleidsthema’s wordt geschoven, inclusief het splitsen of samenvoegen van ministeries (of het omdraaien van de woorden Veiligheid en Justitie) heeft weinig te maken met intelligent organiseren. Al even merkwaardig is het dat in een tijd dat steen en been wordt geklaagd over managers die alleen verstand hebben van managen, maar niet van de inhoud, het een sport lijkt te zijn ministers aan te stellen die vooral niet deskundig zijn op het beleidsterrein waarvoor zij verantwoordelijk gaan worden.

Bovendien hebben we te maken met een zeer beperkte kringetje waarin naar bewindslieden wordt gezocht en hebben partijen de goede gewoonte zich niet te veel te bemoeien met de keuzes van anderen. De duo’s die op verschillende ministeries zijn aangesteld, zitten daar vooral om alle partijen stevige portefeuilles te bieden en het machtsevenwicht tussen partijen te bewaken, niet vanuit een doordachte taakverdeling. Dat had namelijk ook prima gekund door naar de pakketten van minister en staatssecretaris te kijken. En is de vraag of al deze ministers, die elkaar toch heel vaak (in elk geval op vrijdag) gaan tegenkomen, wel als team kunnen functioneren, ergens in het proces gesteld? Of zij complementaire kwaliteiten hebben? Dat nog los van het feit dat de diversiteit ernstig achterblijft.

Misschien komt dit allemaal voort uit de frustratie dat we zeker niet bovenaan gaan eindigen bij de formatiepool. Maar het moet toch mogelijk zijn het samenstellen van een kabinet iets minder houtje-touwtje aan te pakken dan nu gebeurt?

Democratie komt er bekaaid af

Het is in dit regeerakkoord zoeken met een vergrootglas naar ideeën over democratische vernieuwing, laat staan dat er iets van een visie valt te ontwaren.

Op een dag als vandaag vind ik het altijd een prestatie van alle oppositiepartijen dat ze zo snel hun mening klaar hebben over het regeerakkoord. Naast teleurstelling, boosheid, verbijstering en andere afkeurende kwalificaties ook al diverse inhoudelijke bezwaren, waar mogelijk van facts en figures voorzien.

Ik ben uit professionele belangstelling begonnen met 1.2 Bestuur en Koninkrijksrelaties en eerlijk gezegd ook nog niet verder gekomen. Voor de verkiezingen inventariseerde ik samen met collega Ank Michels (kan de link niet meer terugvinden…) wat politieke partijen over democratie en bestuurlijke vernieuwing te melden hebben en toen constateerden we al dat veel partijen terugtrekkende bewegingen maakten. Het einde van het correctief bindend referendum is niet verrassend. Wat nu met enige mitsen en maren in het regeerakkoord is genoemd – ‘als beoogd einddoel voorlopig uit zicht’ – was al in de verkiezingsprogramma’s door een meerderheid afgeserveerd. Daar stond tegenover dat vrijwel alle partijen iets wilden met initiatieven van inwoners die iets voor hun buurt willen doen of (een deel van) overheidstaken willen overnemen. Dat komt wel terug in het regeerakkoord.

Voor het overige is de oogst nogal mager. Zo gaat het over betere controle en het transparanter maken van gemeenschappelijke regelingen, een mix van van onderop en van bovenaf inzetten op gemeentelijke herindeling en erg abstracte statements over openheid, digitalisering en toegankelijkheid. Ook krijg de staatscommissie Parlementair stelsel nog wat extra wensen mee, bij een dankzij de Kamer toch al overvolle lijst. En er staat een tekst over de rol van de Eerste Kamer en toetsing aan de grondwet, die ik mij graag nog eens door een staatsrechtdeskundige laat uitleggen.

Kortom, mijn stelling dat je voor democratische vernieuwing niet in Den Haag maar in de lokale politiek moet zijn, wordt weer eens bevestigd. Tenzij er op andere fronten iets verandert in het takkenpakket van BZK, voel ik nu al medelijden met de toekomstige minister op dit departement.

Daar gaat meer geld naartoe

Waarom de focus op meer geld te eenzijdig is en het hoog tijd wordt naar de achterliggende oorzaken te gaan kijken.

Omdat de definitieve tekst van het regeerakkoord nadert, wordt er enthousiast naar alle mogelijke media gelekt vanuit de onderhandelende partijen. Wat mij elke keer weer opvalt, is dat het belang van een onderwerp steeds wordt afgemeten aan de hoeveelheid (extra) geld die er naartoe gaat. Zoveel miljoen voor de leraren, zoveel voor de militairen en zoveel voor de ouderen. Het is een gewoonte die onder alle partijen van links tot rechts heerst.

Het werkt naar andere partijen: kijk eens hoe goed het mij gelukt is geld binnen te halen, ten koste van waar jij die 100 miljoen eigenlijk aan wilde besteden. Het werkt ook naar de achterban: zie hoe belangrijk wij u vinden, 100 miljoen extra beschikbaar. Maar meer geld is heel vaak helemaal niet de oplossing, eerder een verder uitstel om echt over de oorzaken van een probleem na te denken.

Het is niet voor niets dat bijvoorbeeld de Algemene Rekenkamer regelmatig moet vaststellen dat niet is vast te stellen welke effecten extra geld heeft opgeleverd. Het is niet voor niets dat de ene zorginstelling of school prima met het budget uit de voeten kan, terwijl de andere al kort na de zomer melden dat het geld op is. Het is niet voor niets dat sommige gemeenten de bezuinigingen van de decentralisatie goed hebben kunnen opvangen en andere onder toezicht zijn komen te staan.

Wat zou het mooi zijn wanneer politici en bestuurders in plaats van het automatisme “er is een probleem, dus daar moet meer geld naartoe” zich structureler zouden verdiepen in wat er aan de hand is. Misschien scoort dat niet in campagnetijd en ook niet als je wilt laten zien waarom je gaat meeregeren. Maar gelukkig zijn er (in theorie) nog heel veel maanden en jaren zonder verkiezingen en kabinetsformatie waarin die fundamentele vragen wel kunnen worden gesteld.