Dat mag best worden gezegd

Statistiek is een vak apart. En: het probleem is niet dat het niet wordt benoemd, maar dat zo weinig over de echte oplossingen wordt nagedacht.

Een beroemd voorbeeld uit de statistiekboekjes gaat over het verband tussen de omvang van de ooievaarpopulatie en het aantal geboorten in een streek in Duitsland. Zie je wel, zeiden de mensen die nog geloven dat kinderen door de ooievaar worden afgeleverd, veel ooievaars betekent veel geboorten, weinig ooievaars betekent weinig geboorten. We noemen dit in de statistiek een positief verband: als x toeneemt, neemt y toe; neemt x af, dan neemt ook y af. Wat bleek echter? In deze streek woonden ook beduidend meer jonge mensen in de vruchtbare leeftijd, relatief veel katholieken bij wie voortplanting door meneer pastoor werd aangemoedigd en bovendien was het een streek met veel weilanden en sloten, ideaal voor ooievaars. En zo nog wat meer factoren die zowel het aantal ooievaars als het aantal baby’s een boost gaven.

Kortom, als je al die andere factoren meenam, bleek het verband een schijnverband te zijn. Je neemt een aantal andere mogelijke verklaringen mee in het model en ooievaars en baby’s hebben toch niet zo direct met elkaar te maken. Ik moest hieraan denken bij de herkansing die Sywert van Lienden gisteren kreeg in De Wereld Draait Door in gesprek met migratiedeskundige Leo Lucassen. Aanvankelijk had hij berouw getoond over het ‘verwisselen van twee tabellen’ (het ging overigens over wel iets meer dan dat…), maar aan het eind moest het punt toch even gemaakt worden dat allochtonen oververtegenwoordigd zijn zowel bij de algemene misdaadcijfers als bij de zedendelicten. In zijn ogen zat Lucassen zo veel te corrigeren dat het probleem werd weggeredeneerd.

Was dit nu serieus een pleidooi om factoren die er wél toe doen, zoals opleidingsniveau, werkloosheid, gezinssituatie, leeftijd e.d. niet mee te wegen, simpelweg omdat je het punt wilt maken dat allochtonen oververtegenwoordigd zijn? Omdat zogenaamd dat debat in de politiek correcte media niet gevoerd mag worden? Het interessante is namelijk dat zelf als je corrigeert voor die andere factoren, het verband (anders dan bij de ooievaars en de baby’s) overeind blijft. Dat is dus niet wegredeneren, maar in de juiste proporties bekijken. Als student politicologie aan de UvA had Sywert dat toch wel in de colleges van Tom van der Meer moeten hebben geleerd.

Geredeneerd vanuit: wat zou je er als overheid of als samenleving aan kunnen doen, zijn bovendien die andere factoren veel relevanter. Van een Antilliaan maak je niet zomaar een Indonesiër, van een moslim geen atheïst. Aan gebrekkige opleiding, werkloosheid, verslaving, groepsdruk, etc. valt daarentegen wel iets te doen. Zoals de onderzoekers die Van Lienden aanhaalde zelf aangeven, is voor criminaliteit en zeker ook voor zedendelicten geen unieke, alles verklarende factor aan te wijzen.

Ik heb als eenvoudige krantenlezer en journaalkijker trouwens bepaald niet het idee dat cijfers over de oververtegenwoordiging van allochtonen op de verkeerde lijstjes worden weggemoffeld. Ik denk dan alleen al aan de tientallen keren dat ik de term Mocromaffia voorbij heb horen komen of de ruim bemeten zendtijd voor de Wilderianen in en buiten het parlement. Het benoemen van deze feiten lijkt mij dan ook niet het probleem. Veeleer is het de consequentie die eraan wordt verbonden. Ofwel het fatalisme dat het ‘nu eenmaal in de islamitische/Oost-Europese/Antilliaanse/Noord-Afrikaanse cultuur zit’ (haal door wat niet van toepassing is) of het machisme dat die en die moeten ophoepelen naar hun ‘eigen’ land of de grenzen voor die en die dicht moeten.

Wegkijken, wegsturen of weghouden, het lost niks op. Mij lijkt dus de uitdaging om, met kennis van zaken en gevoel voor proporties, nu eens echt tot de kern van het probleem door te dringen. Dan zou het helpen als DWDD een beetje mee wil werken door wat vaker deskundigen in plaats van zelfbenoemde opiniemakers en columnisten uit te nodigen. Die zijn ook nog eens een stuk goedkoper. Bij voorbaat dank.

Bibberende en buigende bestuurders

Maatschappelijke onvrede en politieke hectiek als risico voor democratische vernieuwing in het lokaal bestuur

Uiteraard zorgt de grote toestroom van vluchtelingen voor een onverwacht sterke dynamiek. Omgaan met grote groepen boze en bij vlagen agressieve burgers is bepaald niet makkelijk. Daar staat tegenover dat gemeenten ernstig hebben verzaakt bij de huisvesting van statushouders, waardoor de doorstroming uit asielzoekerscentra stokt. En de burgeroorlog in Syrië is niet vorige week begonnen.

Voor mij staat de moeizame manier waarop veel bestuurders omgaan met het protest tegen de vestiging van een AZC of noodopvang symbool voor een algemener gebrek aan bestuurlijke handigheid of sensitiviteit. Ten eerste valt op dat de communicatie gebrekkig en laat is, terwijl er toch zoveel mogelijkheden ter beschikking staan: van de ouderwetse brief in de bus tot en met de gemeentelijke website en social media. Ten tweede dat inwoners laat in het proces worden betrokken, maar wel de suggestie wordt gewekt dat er nog volop inspraak en invloed mogelijk is. Ofwel je doet het tijdig en trekt je echt iets aan van wat door inwoners naar voren gebracht, of je doet het niet en legt uit waarom.Ten derde in de aanpak van de inspraakavond, discussiebijeenkomst of hoe het ook mag heten: een klassieke frontale opstelling, met een podium vooraan, stoelen in theateropstelling en microfoons in het middenpad. Ten vierde in het gebrek aan lef om impopulaire besluiten positief uit te leggen en knopen door te hakken, maar in plaats daarvan te doen alsof het je allemaal overkomt of de schuld op anderen te schuiven.

Dit klinkt misschien als makkelijke kritiek vanaf de zijlijn. Zo is het nadrukkelijk niet bedoeld. Ik weet heel goed hoe ingewikkeld veel kwesties in het lokale bestuur zijn, zeker met alle extra verantwoordelijkheden die gemeenten de laatste jaren hebben gekregen. Het komt echter voort uit zorg over het groeiende wantrouwen van inwoners aan de ene kant en de steeds hogere omloopsnelheid van raadsleden en wethouders aan de andere kant.

Als zowel burgers als politici afhaken, is dat een serieus risico voor de kwaliteit en toekomst van de lokale democratie. Terwijl dit bij uitstek de plek zou moeten zijn waar verbinding en ontmoeting tot stand komen. Het is ook de plek om te experimenteren met democratische vernieuwing en minder hiërarchische verhoudingen tussen burger en overheid. Juist dat dreigt verloren te gaan door onrust, hectiek en terugtrekkende bewegingen aan beide kanten.

Loting als nieuw democratisch geloof

Loting als nieuw democratisch model: niet te makkelijk over denken, maar zorgvuldig voorbereiden en inzetten

Afgelopen donderdag hield voormalig Kamervoorzitter Gerdi Verbeet de derde aflevering van de Paushuizelezing. Deze lezing wordt georganiseerd door de provincie Utrecht en gehouden, de naam zegt het al, in het Paushuize (genoemd naar de enige Nederlandse paus die we ooit hadden, Adrianus VI).

In de aankondiging van de lezing had Verbeet laten weten dat zij met nieuwe en spannende ideeën zou komen voor democratische vernieuwing en op de avond zelf stelde zij dat er een Deltaplan voor de democratie moet komen. De invulling van het Deltaplan bleef nogal abstract en dat gold, nog problematischer wat mij betreft, ook voor de diagnose – wat is er nu mis met de democratie? – en de urgentie – waarom moet er nu iets gebeuren?

Gezien het onderzoek dat we vanuit Utrecht samen doen met collega’s van de Universiteit Leiden en de Vrije Universiteit Amsterdam, was ik met name benieuwd naar wat Verbeet zou zeggen over de G1000 en andere burgertoppen en dan in het bijzonder over loting. Sinds het boek Tegen Verkiezingen van David van Reybrouck heeft het idee postgevat  dat loten een betere en democratischere manier zou zijn om burgers zeggenschap te geven dan verkiezingen. Er is een groep van ‘gelovigen’ ontstaan die, niet gehinderd door al te veel kennis van hoe G1000’s en lotingen feitelijk werken, overal pleidooien houden voor deze democratische vernieuwing. De Paushuizelezing liet zien dat ook Verbeet tot deze groep mag worden gerekend.

Wat we uit onderzoek in binnen- en buitenland weten, zou echter tot enige terughoudendheid moeten leiden. Dat in de praktijk een G1000 nergens daadwerkelijk 1000 deelnemers heeft gehaald (maar ergens tussen de 250 en 600) is daarbij nog het minste probleem. 1000 is meer een symbolisch getal dan een noodzaak. Maar dat de diversiteit van deelnemers bij alle tot nu toe gehouden G1000’s ondanks loting gering is, zet wel aan het denken. De praktijk leert namelijk dat de G1000’s worden bevolkt door autochtone hoogopgeleiden boven de 50. Het probleem is dat loting als zodanig het gebrek aan diversiteit niet oplost: van de vele duizenden die worden ingeloot, geeft zo’n 95% geen gehoor aan de uitnodiging. Wie zich (terecht) zorgen maakt over dalende opkomstcijfers bij gemeenteraadsverkiezingen, zou dit getal eens tot zich door moeten laten dringen.

Te makkelijk en te snel wordt beweerd dat loting dé oplossing is om de democratische vermoeidheid tegen te gaan en mensen te enthousiasmeren en activeren. De werkelijkheid is heel wat weerbarstiger. Hiermee is niet gezegd dat loting geen goed middel kan zijn om een veelkleuriger gezelschap aan tafel te krijgen. Maar dan is het wel belangrijk om 1) duidelijker te maken wat het belang van de de deelnemer is om zijn of haar vrije dag(en) op te offeren en 2) tegenover deelname een passende vergoeding te zetten. Het is bovendien nodig om loting aan te vullen met andere methoden van directe werving, bijvoorbeeld via maatschappelijke organisaties en social media.

Kiezers en gekozenen

Meer contact tussen de senatoren en hun kiezers, de Statenleden: het hoeft niet ingewikkeld te zijn

Tot komende woensdag zit ik nog in (gezonde?) spanning of het gaat lukken om genoeg stemmen te halen bij de provinciale verkiezingen, zodat ik in mei als Eerste Kamerlid gekozen kan worden. Regelmatig heb ik de afgelopen weken de vraag moeten beantwoorden waarom ik wel op de lijst sta, maar er niemand (behalve de Statenleden) op mij kan stemmen. Binnen GroenLinks speelt bovendien al jaren de discussie over het nut van de Eerste Kamer: wat voegt die toe ten opzichte van de Tweede Kamer? Overigens is die discussie wat geluwd en zien ook veel partijgenoten (weer) het nut van de senaat in, nu de initiatiefwet van Femke Halsema die het mogelijk maakt te toetsen aan de grondwet, in de tweede ronde lijkt te gaan sneuvelen.

Problematischer vind ik nog steeds dat er nauwelijks een relatie is tussen kiezers (Statenleden en indirect degenen die stemmen op 18 maart) en gekozenen (de Eerste Kamerleden). Twee CDA-gedeputeerden stellen voor om senatoren te laten meevergaderen met Provinciale Staten, zoals Europarlementariërs dat soms ook doen in de Tweede Kamer. Een sympathiek idee, maar volgens mij net omgekeerd geformuleerd en te vrijblijvend. Want het lijkt mij veel verstandiger om Statenleden te laten “meevergaderen” met de Eerste Kamer. Op het moment dat de Europarlementariërs naar Den Haag komen, spreken zij over Europese onderwerpen en wat daarin de positie van Nederland is en stemmen zij af wat beter nationaal en wat beter Europees kan worden geregeld (ik geef toe, in theorie gaat het daarover…).

Iets vergelijkbaars noemen de CDA-gedeputeerden ook, wanneer zij het hebben over decentralisatie: wordt er niet te veel in Den Haag geregeld, wat wij als provincies prima zelf kunnen doen. Maar het besluit om wel of niet te decentraliseren wordt niet door de provincie zelf genomen, maar door Tweede en Eerste Kamer. Dus daar moet je zijn, niet in een Statenvergadering. Het tweede punt is dat de relatie tussen Tweede Kamerleden en Europarlementariërs toch net iets anders is dan tussen Statenleden en Eerste Kamerleden. Europarlementariërs hoeven geen verantwoording af te leggen, terwijl dat van Eerste Kamerleden wel mag worden verwacht. Graag dus, die discussie over verdeling van bevoegdheden, decentralisatie, autonomie van het regionale bestuur, maar dan ook in de vorm van een echte Verantwoordingsdag, met senatoren en Statenleden in de Eerste Kamer. Dat is heel iets anders dan aanschuiven en meepraten bij een Statenvergadering – want in die arena mogen degenen die daar gekozen zijn hun eigen keuzes maken en heeft inbreng van de Eerste Kamer geen meerwaarde.

No flyerzone

Wilt u misschien een flyer? Nou, nee, dank u, eigenlijk niet

Als congresganger ergerde ik me regelmatig aan de grote hoeveelheid flyers die je gedurende de dag in je handen geduwd krijgt of die her en der verspreid liggen. Misschien niet eens heel principieel (al is het uiteraard erg voor alle bomen en boompjes die daaronder lijden), maar vooral omdat de meeste flyers nauwelijks worden gelezen en zeker niet vaak de doorslag op iemand te stemmen. Ze blijven aan het eind van de dag dus ook slingeren, of je stopt ze nog wel in je tas om ze thuis in de papierbak te laten verdwijnen, maar doet er verder niks meer mee.

Ik beken schuld –  bij het congres vier jaar geleden had ik ook flyers en ik heb zelf mensen geronseld om die samen met mij uit te delen. Maar morgen geen flyers voor mij. Wat ik wil vertellen over mezelf staat op de website en in de congreskrant en anders kun je via dit weblog, Facebook en twitter meer over mij te weten komen dan mij lief is 🙂 Bovendien loop ik vanaf de eerste minuut rond in Amersfoort en ga ik graag met iedereen in gesprek.

In plaats daarvan kunnen mijn medecongresbezoekers morgen ansichtkaarten vinden, met de vraag om mij goede raad, een lijfspreuk, een succeswens of elk ander soort bericht mee te geven. Nog even bewaren, want… als alles gaat zoals ik hoop, ben ik vanaf juni lid van de Eerste Kamer en niets lijkt mij leuker dan elke week in de Haagse brievenbus ansichtkaarten van leden te vinden. Een mooie herinnering aan het congres en een mooie manier om aan een nieuwe politieke uitdaging te beginnen.

Meer dan verkiezingen

De verkiezingen voor Provinciale Staten komen eraan en dat is altijd een mooie gelegenheid voor diverse beschouwers te somberen over het nut van de provincie en de opkomstcijfers. Ook de discussie over het indirect kiezen van de Eerste Kamer popt telkens weer op. Wat is eigenlijk de band tussen de Staten en de senaat? Zou de Eerste Kamer ook niet rechtstreeks door de bevolking moeten worden gekozen?

Opvallend aan dit soort betogen is dat ze allemaal focussen op electorale aspecten van democratie. Een lage opkomst bij verkiezingen is een slecht teken, volgens de redenering: hoe meer mensen gaan stemmen, des te legitiemer is de volksvertegenwoordiging. En de beste manier van kiezen is direct. Vanuit ditzelfde perspectief is 20 jaar geleden gekozen voor directe verkiezingen voor het waterschap, sinds de vorige keer inclusief politieke partijen (bijna ondergesneeuwd: ook de waterschapsverkiezingen zijn op 18 maart…).

Er zijn echter andere en wellicht zelfs betere manieren om democratie vorm te geven en bijbehorende waarden als participatie, vertegenwoordiging en legitimiteit te bereiken. David van Reybrouck zoekt in Tegen verkiezingen de oplossing in nieuwe vormen van betrokkenheid, die hij via het aloude mechanisme van loting wil bewerkstelligen. De G1000’s die hiervan een concreet uitvloeisel zijn laten zien dat er heel veel kan gebeuren naast en buiten de traditionele electorale democratie. Mijn oud-collega Adriejan van Veen wijst in zijn proefschrift over markttoezicht op vertegenwoordiging door niet-gekozen organen die net zo waardevol en inhoudelijk kan zijn. Ook dat nuanceert de noodzaak om voor elke functie of elk orgaan verkiezingen te houden.

In lijn hiermee is er dan ook veel voor te zeggen om de indirecte verkiezing van de Eerste Kamer en de bijbehorende rol als chambre de réflexion te behouden. Dat de Eerste Kamer niet ‘wegstuurbaar’ is (om de merkwaardige term van Wouter Bos te gebruiken) en daarmee niet onderhevig aan electorale logica is alleen maar toe te juichen. Wanneer de Eerste Kamer bovendien nog meer de verbinding zoekt met al die verschillende burgers, organisaties, belangengroepen en kennisinstituten die buiten de klassieke kanalen om mee denken en mee doen, wordt des te meer waargemaakt dat democratie zoveel meer is dan verkiezingen alleen.

Trainen kun je leren

Voor iemand die gewend is zelf colleges te geven, workshops en trainingen te houden, is het heel gezond af en toe weer eens in de andere positie te zitten. Vandaag en volgende week doe ik bij ICM een cursus Inspirerend en creatief trainen en hoewel die termen bij mij een lichte allergie opwekken, is dat wel precies waar ik naar op zoek ben. Aan de ene kant het vermogen om makkelijk te switchen tussen de rollen van docent, trainer, begeleider en coach en aan de andere kant nieuwe werkvormen om soms droge stof op een leuke en boeiende manier over te brengen.

Wat sowieso altijd mooi is aan het doen van een cursus is het uitwisselen van ervaringen met de andere deelnemers.Vandaag realiseerde ik mij weer eens hoe bevoorrecht ik ben dat ik vrijwel altijd te maken met met studenten of deelnemers die uit zichzelf naar een opleiding of training komen en niet omdat het moet voor een certificaat of keurmerk of omdat ze door hun leidinggevende zijn gestuurd. Het is een ideale gelegenheid met nieuwe vormen en oefeningen in aanraking te komen en ze hier echt uit te kunnen proberen, waarbij het ook mis mag gaan – inclusief de constatering dat het geen oefening is die bij mij past.

Tot slot merk ik dat ik niet per se theoretisch veel nieuwe dingen leer, het meeste is bewust of onbewust wel eens voorbijgekomen, maar dat het me dwingt bij wat ik doe en de keuzes die ik maak weer eens nadrukkelijker stil te staan. Wat voor leerstijl heb ik zelf, welke hebben de deelnemers en hoe combineer je dat? Vooral ook als je met allemaal denkers bij elkaar zit en ook eens aan de slag moet… En hoe verhouden al die leuke, creatieve, vernieuwende dingen zich tot de leerdoelen en tot de gewenste resultaten qua kennis, inzicht en toepassing?

Of het wat oplevert? Ik zou zeggen, van harte welkom om dat vanaf half maart persoonlijk te komen ervaren bij de aankomende opleiding Politiek-bestuurlijke sensitiviteit.