Dialoog en keuze gaan prima samen

Het referendum wordt te snel en te makkelijk afgeschreven en ingeruild voor deliberatieve democratie. Ze zouden niet als tegengesteld, maar juist als complementair gezien moeten worden.

Met Brexit en Oekraïne nog vers in het geheugen, staat het referendum er bij velen niet zo goed op. Ook de vice-voorzitter van de Raad van State sprak waarschuwende woorden over het referendum in het Jaarverslag 2016. GroenLinks schrapte het referendum uit het verkiezingsprogramma en pleit nu in plaats daarvan voor deliberatieve democratie, waarbij “…inwinnen van informatie, uitwisseling van argumenten, tijd voor overleg en een gezamenlijke zoektocht naar oplossingen en posities centraal [staan].”

Bij een symposium van Hellingproef (het jong wetenschappelijk bureau van GroenLinks) mocht ik een paar weken terug een inleiding houden over dit thema. Mijn voornaamste punt was dat het zo jammer is dat deliberatieve democratie als het alternatief voor referenda is opgevoerd, terwijl ze elkaar zo mooi zouden kunnen aanvullen. Elk kan mooi de nadelen van de ander ondervangen.

Het grootste bezwaar dat door de tegenstanders wordt ingebracht tegen referenda is dat het ingewikkelde kwesties reduceert tot een keuze tussen ja en nee, tussen A en B. Dat klopt voor een groot deel van de referenda. Naast het al genoemde Oekraïnereferendum gold dat ook voor het Grondwetreferendum in 2005. De klacht bij deze referenda was ook dat door de beide kampen veel onwaarheden werden verkondigd of selectieve informatie werd verstrekt. In Utrecht hadden de inwoners in 2007 bij het burgemeestersreferendum de keuze uit twee PvdA-kandidaten. De klacht daar was dat er geen serieuze keuze werd voorgelegd en de opkomst (9%) was er dan ook naar.

Het zegt veel over de gebrekkige referendumtraditie dat regelmatig dit soort voorbeelden uit de oude doos voorbijkomen. Bovendien hoeft een referendum zich helemaal niet tot twee keuzes te beperken. Er zijn diverse internationale voorbeelden (en niet alleen referendumland bij uitstek Zwitserland) waar drie, vier of vijf keuzes voorlagen. Er zijn al even veel intelligente stemmethodes om tot een keuze te komen bij meer dan twee opties.

Het uitbreiden van de keuzemogelijkheden komt in elk geval tegemoet aan de bezwaren tegen een dichotome keuze. Een serieuzer probleem vind ik eerlijk gezegd dat er vaak van een ontzettend armoedig publiek debat sprake is, waarin vooral slecht onderbouwde oneliners de wereld in worden geslingerd (overigens mede ingegeven door de kampvorming die veel van de huidige referenda met zich meebrengen). Dit is waar de dialoog, het uitwisselen van informatie en argumenten en het zoeken naar gezamenlijkheid, die deliberatieve democratie kenmerken, een duidelijke meerwaarde hebben.

Een belangrijk nadeel van deliberatieve democratie is dat het zich tot een relatief kleine groep beperkt en daarmee naar binnen gekeerd kan zijn. Deliberatieve fora willen nog wel eens de verbinding met zowel de politiek als met de samenleving kwijtraken. Bovendien ligt de nadruk sterk op taal en spreken en voelt lang niet iedereen zich daar prettig bij. Vaak wordt gewerkt met loting om deelnemers te selecteren en ook dat levert een bias op in de deelnemers (man, ouder, hoger opgeleid, autochtoon). De uitkomsten van deliberatieve processen verdienen dus een ‘reality check’ in de vorm van een stemming om te kijken in hoeverre ze op breder draagvlak kunnen rekenen.

Daarom lijkt mij de combinatie van deliberatieve democratie en referendum zo mooi. Dat is bepaald geen originele gedachte: eind jaren ’80 introduceerde James Fishkin deliberative polling, waarin de mening van een representatieve groep uit de bevolking wordt gepeild en dezelfde groep na een intensief proces van dialoog en informatie door experts nogmaals wordt gepeild. Deze aanpak wordt nog steeds regelmatig toegepast en het is precies wat ook bij toekomstige referenda is aan te bevelen. Het biedt de mogelijkheid inhoudelijk de diepte in te gaan en expertise in te schakelen voor alle mogelijke opties en tegelijk aan het eind wel een knoop door te hakken.

De leden mogen het zeggen

Voor het eerst stelt GroenLinks de landelijke kandidatenlijst via een referendum vast. De grote vraag is in hoeverre het advies wordt gevolgd of de lijst nog flink wordt gehusseld.

Komende donderdag wordt de uitslag bekend van het referendum over de kandidatenlijst van GroenLinks. In tegenstelling tot diverse partijgenoten voel ik geen behoefte mijn lijstje via twitter of dit blog met de wereld te delen. Hoe ouderwets dat misschien ook is, ik beschouw dat graag als mijn stemgeheim. Ik heb ook nog nooit op een congres tijdens het vaststellen van de kandidatenlijst een foto van mijn stemkastje gemaakt.

Los van de vraag of het Liesbeth van Tongeren (of één van de andere, minder prominente, maar eveneens niet voorgedragende kandidaten) gaat lukken een pek op de lijst te krijgen, ben ik sowieso nieuwsgierig of er veel wijzigingen zullen zijn ten opzichte van de voordracht. Bij D66, dat eind vorige maand de definitieve lijst bekend maakte, veranderde er op een plekje omhoog of een plekje omlaag voor een enkele kandidaat na, vrijwel niets. Ik verwacht eerlijk gezegd ongeveer hetzelfde bij GroenLinks.

Het interessante is dat een referendum aan de ene kant veel meer leden invloed laat hebben op de lijst dan wanneer die op een congres wordt vastgesteld. Aan de andere kant wordt het ingewikkelder om verandering teweeg te brengen (hoe zeer de stemprocedure bij het referendum die van het congres ook nabootst). Dit geeft mooi het dubbele karakter van referenda weer: zowel vergroting van de legitimiteit (als je die aan het aantal stemmers afmeet) als versterking van de status quo. En daarmee ook mijn dubbele gevoel over het referendum. Het maakt de positie van een kandidatencommissie sterker en dat is op zich goed, want zij heeft alle gegadigden uitgebreid gesproken en gewogen. Maar het mooie van een congres – ook omdat je live ziet hoe de lijst zich ontwikkelt – is dat er altijd wel een noodzakelijke correctie van het advies plaatsvindt.

Eén referendum maakt nog geen zomer en het is, wat er donderdag ook uitkomt, te vroeg om al over het succes te oordelen. Ik zal het in elk geval kritisch blijven volgen en zal zaterdag op het congres het stemmen over kandidaten wel een beetje missen.

Kiezers en gekozenen

Meer contact tussen de senatoren en hun kiezers, de Statenleden: het hoeft niet ingewikkeld te zijn

Tot komende woensdag zit ik nog in (gezonde?) spanning of het gaat lukken om genoeg stemmen te halen bij de provinciale verkiezingen, zodat ik in mei als Eerste Kamerlid gekozen kan worden. Regelmatig heb ik de afgelopen weken de vraag moeten beantwoorden waarom ik wel op de lijst sta, maar er niemand (behalve de Statenleden) op mij kan stemmen. Binnen GroenLinks speelt bovendien al jaren de discussie over het nut van de Eerste Kamer: wat voegt die toe ten opzichte van de Tweede Kamer? Overigens is die discussie wat geluwd en zien ook veel partijgenoten (weer) het nut van de senaat in, nu de initiatiefwet van Femke Halsema die het mogelijk maakt te toetsen aan de grondwet, in de tweede ronde lijkt te gaan sneuvelen.

Problematischer vind ik nog steeds dat er nauwelijks een relatie is tussen kiezers (Statenleden en indirect degenen die stemmen op 18 maart) en gekozenen (de Eerste Kamerleden). Twee CDA-gedeputeerden stellen voor om senatoren te laten meevergaderen met Provinciale Staten, zoals Europarlementariërs dat soms ook doen in de Tweede Kamer. Een sympathiek idee, maar volgens mij net omgekeerd geformuleerd en te vrijblijvend. Want het lijkt mij veel verstandiger om Statenleden te laten “meevergaderen” met de Eerste Kamer. Op het moment dat de Europarlementariërs naar Den Haag komen, spreken zij over Europese onderwerpen en wat daarin de positie van Nederland is en stemmen zij af wat beter nationaal en wat beter Europees kan worden geregeld (ik geef toe, in theorie gaat het daarover…).

Iets vergelijkbaars noemen de CDA-gedeputeerden ook, wanneer zij het hebben over decentralisatie: wordt er niet te veel in Den Haag geregeld, wat wij als provincies prima zelf kunnen doen. Maar het besluit om wel of niet te decentraliseren wordt niet door de provincie zelf genomen, maar door Tweede en Eerste Kamer. Dus daar moet je zijn, niet in een Statenvergadering. Het tweede punt is dat de relatie tussen Tweede Kamerleden en Europarlementariërs toch net iets anders is dan tussen Statenleden en Eerste Kamerleden. Europarlementariërs hoeven geen verantwoording af te leggen, terwijl dat van Eerste Kamerleden wel mag worden verwacht. Graag dus, die discussie over verdeling van bevoegdheden, decentralisatie, autonomie van het regionale bestuur, maar dan ook in de vorm van een echte Verantwoordingsdag, met senatoren en Statenleden in de Eerste Kamer. Dat is heel iets anders dan aanschuiven en meepraten bij een Statenvergadering – want in die arena mogen degenen die daar gekozen zijn hun eigen keuzes maken en heeft inbreng van de Eerste Kamer geen meerwaarde.

Op naar minimaal vijf zetels

Natuurlijk gaan we die vijf zetels halen in de Eerste Kamer. Meer mag ook!

Net toen ik geruststellend wilde zeggen dat ik niet zenuwachtig was, voelde en hoorde ik mijn stem een flink aantal tonen omhoog gaan. De afgelopen week had ik er amper last van, maar toen ik de Rijtuigenloods naderde, waar gisteren het GroenLinks congres werd gehouden, kwamen ze flink opzetten en dat gebeurde weer toen we in de wachtkamer zaten. Maar eenmaal op het podium was de rust er gelukkig weer.

Bewust had ik ervoor gekozen niet voor een hogere plek te gaan dan de vijfde die de kandidatencommissie voor mij in gedachten had. Allereerst omdat ik twee goede gesprekken met de commissie heb gehad en ik vond dat zij een reëel beeld van mij hebben gekregen en in hun advies verwoord. Bovendien speelde mee dat ik de kandidaten voor 1 t/m 4 allemaal prima vind en mij kon vinden in hun hoge klasseringen. Gelukkig pakte het goed uit (elke strategie is zo briljant als het resultaat achteraf…) en kreeg ik in de tweede ronde 430 (van de 830) stemmen, net iets meer dan Margreet de Boer.

Plek 5 is het dus geworden en dat aantal zetels gaan we minimaal halen. Liever natuurlijk 6 of nog meer!

No flyerzone

Wilt u misschien een flyer? Nou, nee, dank u, eigenlijk niet

Als congresganger ergerde ik me regelmatig aan de grote hoeveelheid flyers die je gedurende de dag in je handen geduwd krijgt of die her en der verspreid liggen. Misschien niet eens heel principieel (al is het uiteraard erg voor alle bomen en boompjes die daaronder lijden), maar vooral omdat de meeste flyers nauwelijks worden gelezen en zeker niet vaak de doorslag op iemand te stemmen. Ze blijven aan het eind van de dag dus ook slingeren, of je stopt ze nog wel in je tas om ze thuis in de papierbak te laten verdwijnen, maar doet er verder niks meer mee.

Ik beken schuld –  bij het congres vier jaar geleden had ik ook flyers en ik heb zelf mensen geronseld om die samen met mij uit te delen. Maar morgen geen flyers voor mij. Wat ik wil vertellen over mezelf staat op de website en in de congreskrant en anders kun je via dit weblog, Facebook en twitter meer over mij te weten komen dan mij lief is 🙂 Bovendien loop ik vanaf de eerste minuut rond in Amersfoort en ga ik graag met iedereen in gesprek.

In plaats daarvan kunnen mijn medecongresbezoekers morgen ansichtkaarten vinden, met de vraag om mij goede raad, een lijfspreuk, een succeswens of elk ander soort bericht mee te geven. Nog even bewaren, want… als alles gaat zoals ik hoop, ben ik vanaf juni lid van de Eerste Kamer en niets lijkt mij leuker dan elke week in de Haagse brievenbus ansichtkaarten van leden te vinden. Een mooie herinnering aan het congres en een mooie manier om aan een nieuwe politieke uitdaging te beginnen.

Twitter ze!

Vanochtend zijn mijn collega Madelinde en ik weer begonnen met ons keuzevak over sociale media. Eén van de thema’s in de komende weken zal zijn hoe politici gebruik maken van twitter en Facebook om zich aan (potentiële) kiezers te presenteren en welk beeld van zichzelf zij daarbij proberen neer te zetten.

Diverse onderzoeken laten zien dat volgers en vrienden het waarderen wanneer de politicus niet alleen maar vertelt over debatten, moties en werkbezoeken, maar ook iets van zijn of haar persoonlijk leven en drijfveren laat zien. De balans is overigens lastig te vinden, omdat een politicus bij uitstek met ‘multiple audiences’ te maken heeft, met uiteenlopende voorkeuren en behoeften – zo krijg ik wel eens commentaar als het te vaak over Ajax gaat. Aan de andere kant blijkt het effect van al die activiteit op sociale media op het stemgedrag klein. Het kan een beetje helpen, maar het is niet aan te raden om alles in te zetten op sociale media in verkiezingstijd, want bij kiezers spelen veel andere factoren een grotere rol.

Mede om die reden vind ik het boeiend om te zien hoe verschillende GroenLinks-kandidaten voor de Eerste Kamer (ja ja, ik ook hoor #hb5) zich deze weken op Facebook en twitter presenteren. Wat vertellen zij over zichzelf, hoe proberen zij sympathiek over te komen en in hoeverre helpen de ‘likes’ en aanbevelingen van anderen daarbij? Bovendien weet geen van ons wie er precies op het congres zullen zijn, behalve dat je iets kunt weten met dank aan de aanmeldingen bij het Facebookevent. Dus hoe bepaal je op wie je je met je boodschap gaat richten?

Posten op twitter en Facebook heeft sterk het karakter van schieten in allerlei richtingen en hopen dat je af en toe raak schiet. Een leuk tijdverdrijf, zeker voor de insiders in de partij en de liefhebbers van interne campagne, maar op het nut valt nog wel wat af te dingen.

Meer dan verkiezingen

De verkiezingen voor Provinciale Staten komen eraan en dat is altijd een mooie gelegenheid voor diverse beschouwers te somberen over het nut van de provincie en de opkomstcijfers. Ook de discussie over het indirect kiezen van de Eerste Kamer popt telkens weer op. Wat is eigenlijk de band tussen de Staten en de senaat? Zou de Eerste Kamer ook niet rechtstreeks door de bevolking moeten worden gekozen?

Opvallend aan dit soort betogen is dat ze allemaal focussen op electorale aspecten van democratie. Een lage opkomst bij verkiezingen is een slecht teken, volgens de redenering: hoe meer mensen gaan stemmen, des te legitiemer is de volksvertegenwoordiging. En de beste manier van kiezen is direct. Vanuit ditzelfde perspectief is 20 jaar geleden gekozen voor directe verkiezingen voor het waterschap, sinds de vorige keer inclusief politieke partijen (bijna ondergesneeuwd: ook de waterschapsverkiezingen zijn op 18 maart…).

Er zijn echter andere en wellicht zelfs betere manieren om democratie vorm te geven en bijbehorende waarden als participatie, vertegenwoordiging en legitimiteit te bereiken. David van Reybrouck zoekt in Tegen verkiezingen de oplossing in nieuwe vormen van betrokkenheid, die hij via het aloude mechanisme van loting wil bewerkstelligen. De G1000’s die hiervan een concreet uitvloeisel zijn laten zien dat er heel veel kan gebeuren naast en buiten de traditionele electorale democratie. Mijn oud-collega Adriejan van Veen wijst in zijn proefschrift over markttoezicht op vertegenwoordiging door niet-gekozen organen die net zo waardevol en inhoudelijk kan zijn. Ook dat nuanceert de noodzaak om voor elke functie of elk orgaan verkiezingen te houden.

In lijn hiermee is er dan ook veel voor te zeggen om de indirecte verkiezing van de Eerste Kamer en de bijbehorende rol als chambre de réflexion te behouden. Dat de Eerste Kamer niet ‘wegstuurbaar’ is (om de merkwaardige term van Wouter Bos te gebruiken) en daarmee niet onderhevig aan electorale logica is alleen maar toe te juichen. Wanneer de Eerste Kamer bovendien nog meer de verbinding zoekt met al die verschillende burgers, organisaties, belangengroepen en kennisinstituten die buiten de klassieke kanalen om mee denken en mee doen, wordt des te meer waargemaakt dat democratie zoveel meer is dan verkiezingen alleen.