Het woord is aan de kiezer

Waarom partijen zich zo vaak verschuilen achter de kiezer om hun voorkeur voor een regeringscoalitie geheim te houden.

  • Facebook
  • Twitter
  • Delicious
  • LinkedIn
  • StumbleUpon
  • Add to favorites
  • Email
  • RSS

Politieke partijen willen stemmen halen, meeregeren en bepaald beleid realiseren. Haal je veel stemmen, dan is de kans groot dat je wordt uitgenodigd om over regeringsdeelname te komen praten of mag je zelf de leiding nemen. Meeregeren helpt vervolgens om je inhoudelijke wensen voor elkaar te krijgen. Maar een goede verkiezingsuitslag is geen garantie dat je ook in de regering komt en sommige partijen hebben laten zien juist vanuit de oppositie ook resultaten te kunnen boeken. Kortom: de drie doelen van partijen kunnen elkaar aanvullen, maar ook tegenstrijdig zijn.

Nu de verkiezingsdatum dichterbij komt, wordt de vraag wie-met-wie steeds vaker gesteld. Sommige lijsttrekkers zijn daarin vrij duidelijk, door bijvoorbeeld de PVV uit te sluiten of in elk geval met GroenLinks samen te willen. Anderen geven aan dat eerst het woord aan de kiezer is. Ik heb dat altijd een merkwaardig argument gevonden om je voorkeur niet te willen prijsgeven. De kiezer kan zich in Nederland immers niet uitspreken over de gewenste coalitie, maar alleen op een kandidaat stemmen. Vervolgens is het aan de politieke partijen om uit te zoeken wat de kiezer toch kan hebben bedoeld.

Dat dit bepaald niet eenvoudig is, kan met het voorbeeld van de verkiezingen van 2012 worden geïllustreerd. Het ene verhaal is dat de kiezer de PvdA niet voor niets zo groot heeft gemaakt, om te voorkomen dat Rutte nog een keer premier wordt. Het andere verhaal is dat de kiezer niet voor niets de PvdA samen met de VVD zo groot heeft gemaakt, zodat ze wel samen moeten regeren. Als straks PVV, CDA, D66 en GroenLinks allemaal flink groeien, maar de SP en VVD verliezen, wat bedoelt de kiezer dan? Dat de eerste vier partijen met elkaar moeten regeren? Of mogen verliezers ook meedoen?

Het zijn de politieke partijen die op basis van hun eigen voorkeur voor een bepaalde regeringssamenstelling, aan het formeren slaan. De kiezer speelt daar geen enkele rol in, hoogstens retorisch (“gezien de uitslag kunnen we het niet maken geen gesprek aan te gaan met…” of: “na deze nederlaag zijn wij niet als eerste aan de  beurt”). Het enige wat de kiezer doet is een aantal coalities (onder de aanname dat alleen meerderheidskabinetten in aanmerking komen) rekenkundig mogelijk maken. Dan is het wel zo eerlijk dat de kiezer in de afweging op welke partij zij gaat stemmen, mee kan wegen naar welke andere partijen bij eventuele regeringsdeelname de voorkeur uitgaat.

  • Facebook
  • Twitter
  • Delicious
  • LinkedIn
  • StumbleUpon
  • Add to favorites
  • Email
  • RSS

De leden mogen het zeggen

Voor het eerst stelt GroenLinks de landelijke kandidatenlijst via een referendum vast. De grote vraag is in hoeverre het advies wordt gevolgd of de lijst nog flink wordt gehusseld.

  • Facebook
  • Twitter
  • Delicious
  • LinkedIn
  • StumbleUpon
  • Add to favorites
  • Email
  • RSS

Komende donderdag wordt de uitslag bekend van het referendum over de kandidatenlijst van GroenLinks. In tegenstelling tot diverse partijgenoten voel ik geen behoefte mijn lijstje via twitter of dit blog met de wereld te delen. Hoe ouderwets dat misschien ook is, ik beschouw dat graag als mijn stemgeheim. Ik heb ook nog nooit op een congres tijdens het vaststellen van de kandidatenlijst een foto van mijn stemkastje gemaakt.

Los van de vraag of het Liesbeth van Tongeren (of één van de andere, minder prominente, maar eveneens niet voorgedragende kandidaten) gaat lukken een pek op de lijst te krijgen, ben ik sowieso nieuwsgierig of er veel wijzigingen zullen zijn ten opzichte van de voordracht. Bij D66, dat eind vorige maand de definitieve lijst bekend maakte, veranderde er op een plekje omhoog of een plekje omlaag voor een enkele kandidaat na, vrijwel niets. Ik verwacht eerlijk gezegd ongeveer hetzelfde bij GroenLinks.

Het interessante is dat een referendum aan de ene kant veel meer leden invloed laat hebben op de lijst dan wanneer die op een congres wordt vastgesteld. Aan de andere kant wordt het ingewikkelder om verandering teweeg te brengen (hoe zeer de stemprocedure bij het referendum die van het congres ook nabootst). Dit geeft mooi het dubbele karakter van referenda weer: zowel vergroting van de legitimiteit (als je die aan het aantal stemmers afmeet) als versterking van de status quo. En daarmee ook mijn dubbele gevoel over het referendum. Het maakt de positie van een kandidatencommissie sterker en dat is op zich goed, want zij heeft alle gegadigden uitgebreid gesproken en gewogen. Maar het mooie van een congres – ook omdat je live ziet hoe de lijst zich ontwikkelt – is dat er altijd wel een noodzakelijke correctie van het advies plaatsvindt.

Eén referendum maakt nog geen zomer en het is, wat er donderdag ook uitkomt, te vroeg om al over het succes te oordelen. Ik zal het in elk geval kritisch blijven volgen en zal zaterdag op het congres het stemmen over kandidaten wel een beetje missen.

  • Facebook
  • Twitter
  • Delicious
  • LinkedIn
  • StumbleUpon
  • Add to favorites
  • Email
  • RSS

Participatie

Apart begrip eigenlijk, participatie. Van wie gaat het initiatief uit en: doet dat ertoe? Hoe voorkom je dat maatschappelijke ongelijkheid ook wordt weerspiegeld in burgerparticipatie?

  • Facebook
  • Twitter
  • Delicious
  • LinkedIn
  • StumbleUpon
  • Add to favorites
  • Email
  • RSS

Er is iets raars aan de hand met het woord participatie. Het is zo’n woord dat je in het dagelijks gebruik niet vaak zult tegenkomen. Het is een typisch woord uit de wereld van beleid en politiek. Als je elk weekend voetbalt of op woensdagmiddag piano speelt op de muziekschool, zul je niet zeggen dat je participeert in sportieve of culturele activiteiten. Maar dikke kans dat jouw doelpunten of Schubertsonates als participatie worden geregistreerd in een gemeentelijke beleidsnota.

Bewonersparticipatie is het nieuwe (nou ja, nieuwe) mantra van veel gemeenten in Nederland. Er worden vele nota’s en verordeningen over geschreven. Wat opvalt is dat veel van die participatie dan ook (direct of indirect) wordt gedefinieerd als bijdrage aan beleidsprocessen of -doelen van de gemeente. De burger als nuttig hulpmiddel bij het bedenken en uitvoeren van beleid. Wij zorgen voor de afvalinzameling, als u die container in de gaten wilt houden en de buurman aanspreekt die er een vuilniszak naast gooit. Wij subsidiëren kunst en cultuur, als u zelf de bardienst draait in het wijktheater.

Het risico is dat participatie een sterk instrumenteel karakter krijgt en alleen welkom is wanneer in het in het straatje van de overheid past. Liever de coöperatieve, meedenkende burger dan de kritische, dwarsliggende burger. Participatie blijft dan iets van deelnemen aan een spel dat door een ander voor jou is bedacht, met de bijbehorende spelregels.

Interessanter en spannender zijn de initiatieven die inwoners zelf ontwikkelen, zonder op de overheid te wachten of de overheid nodig te hebben. Samen zonnepanelen op de daken leggen, kleine klussen voor elkaar doen, een groenstrook of park onderhouden. Eerder kan daar een inflexibele of regelgedreven overheid in de weg zitten. Juist het willen vatten in algemene regels en procedures kan de innovatie en creativiteit de kop indrukken.

Maar er is wel een dilemma, dat geldt voor zowel de participatie die door de overheid wordt georganiseerd als voor de initiatieven vanuit inwoners zelf. De diplomademocratie die we in de Tweede Kamer of de gemeenteraad zien en die we ook al kennen van diverse vormen van inspraak en interactieve beleidsvorming, steekt ook bij deze nieuwe vormen de kop op. Sommigen kunnen zich nu eenmaal beter organiseren, weten beter de weg te vinden in de wereld van regels en subsidies en zijn beter in staat anderen te mobiliseren en enthousiasmeren. Niet iedereen doet mee, niet elke stem en elk belang wordt gehoord.

Het is deze sociale ongelijkheid die volgens mij de ‘believers’ in mantra’s als eigen kracht, zelforganisatie, de samenleving voorop, aan het denken zou moeten zetten. Aan de ene kant is het prachtig om te zien hoeveel initiatieven ontstaan en hoeveel enthousiasme en betrokkenheid dat teweeg brengt. Maar aan de andere kant is het zorgwekkend dat dit zich beperkt tot een kleine groep die het in zoveel opzichten al goed voor elkaar heeft. Voor zover hier een taak voor overheid en politiek is weggelegd, zou het vooral zijn om aan deze ongelijkheid in uitgangssituatie een eind te maken.

Dit is een bewerkte versie van de inleiding die ik hield bij het slotdebat van de reeks ‘Op losse schroeven’ van het Studium Generale van de Universiteit Utrecht 

  • Facebook
  • Twitter
  • Delicious
  • LinkedIn
  • StumbleUpon
  • Add to favorites
  • Email
  • RSS

Dromen, doen, maar ook blijven denken

Loting, open agenda en dialoog staan centraal in de G1000. Vooral die dialoog is iets om te koesteren.

  • Facebook
  • Twitter
  • Delicious
  • LinkedIn
  • StumbleUpon
  • Add to favorites
  • Email
  • RSS

Met de aanbieding van ons boek G1000. Ervaringen met burgertoppen aan minister Plasterk kwam er een (voorlopig) einde aan het onderzoek. De G1000-karavaan trekt intussen verder, maar zonder dat wij er met onze Amsterdamse, Leidse en Utrechtse nieuwsgierige neuzen bovenop zitten. Wat zijn we intussen te weten gekomen?

De G1000 is in drie opzichten anders dan zowel de vertegenwoordigende democratie (gemeenteraad, college) als de klassieke vormen van burgerbetrokkenheid (hoorzittingen, inspraak, wijkavonden). Ten eerste vanwege de loting van deelnemers, waardoor iedereen een gelijke kans heeft om mee te doen. Ten tweede door de open agenda, wat betekent dat de deelnemers ter plekke bepalen waar het die dag over zal gaan. Ten derde door de dialoog, waarbij gezocht wordt naar verbinding en wat je gemeenschappelijk hebt met de andere deelnemers.

In ons onderzoek constateren we dat het beoogde doel van loting, namelijk meer diversiteit, tot nu toe niet is gerealiseerd. Dat is geen reden om het hele idee overboord te zetten, maar er zijn aanvullende maatregelen nodig om een diverser gezelschap te krijgen. Het resultaat van de open agenda is dat de thema’s die uiteindelijk worden gekozen (top-10) doorgaans wat abstract zijn en bovendien, niet los te zien van het gebrek aan diversiteit, dat er een zekere bias zit in die thema’s. Wel: ontmoeting, samen doen, sociale cohesie, duurzame energie, maar niet: economie, werkgelegenheid, onderwijs, integratie en thema’s als veiligheid en zorg maar in beperkte mate. Het meest geslaagde element is de dialoog: we zien dat de deelnemers zich vrij voelen om te zeggen wat ze willen en ook de bijdragen van anderen waarderen.

In zijn reactie bij de aanbieding van het boek ging Plasterk ook op dit laatste element in. En ik ben het erg met hem eens dat de dialoog het meest waardevolle aspect is van de G1000. Dit heeft de meeste potentie om het debat dat kenmerkend is voor de vertegenwoordigende democratie aan te vullen of te vervangen. Bovendien is dialoog cruciaal, of de G1000 zich nu in de richting van een burgertop (de samenleving in actie) of van een burgerraad (opdracht aan de politiek) gaat ontwikkelen.

Het was een boeiende ervaring om ruim een jaar onderzoek te doen naar de G1000. Het vroeg om het nodige omgevingsbewustzijn, omdat er bij de G1000 veel gelovigen en veel sceptici zijn, met weinig tussensmaken. Ik troost me maar met de gedachte dat ik zowel voor optimist als pessimist en zowel voor naïef als verzuurd ben uitgemaakt. Dan heb je het waarschijnlijk niet verkeerd gedaan.

  • Facebook
  • Twitter
  • Delicious
  • LinkedIn
  • StumbleUpon
  • Add to favorites
  • Email
  • RSS

De paasboodschap van Halbe Zijlstra

Als Halbe Zijlstra nodig is om Pasen en Pinksteren te beschermen, begin ik mij zorgen te maken. Doe mij dan nog maar zo’n lekker verstopeitje.

  • Facebook
  • Twitter
  • Delicious
  • LinkedIn
  • StumbleUpon
  • Add to favorites
  • Email
  • RSS

Geruststellend nieuws van de HEMA: alle 100.000 paaseitjes zijn gevonden. De paasactie, met een gedekte paastafel waarop en -omheen de eitjes waren verstopt, was dus een succes. Wie er meer over wil weten, kan alle 16 smaken paaseitjes bekijken, de HEMA paasfilm bekijken of zich oriënteren op de rest van de paascollectie.

Halbe Zijlstra heeft zich dus opgewonden om niets. Na de borstvergrotingen en ooglidcorrecties een volgende uitglijder van de zelfbenoemde bewaker van de Nederlandse cultuur. En eigenlijk had Halbe dit kunnen weten, want ruim voor het interview in NRC waren Voor Nederland, de PVV en GeenStijl al gevallen over de eitjes en had de HEMA dit al lang rechtgezet.

Des te komischer om te zien welke enorme betekenis Halbe toeschrijft aan Pasen:

Als de Hollandsche Eenheidsprijzen Maatschappij Amsterdam afscheid neemt van Pasen, dat onderdeel uitmaakt van onze maatschappij, dan glijden we langzaam af.

Mooi dat Halbe weet waar de afkorting HEMA voor staat en hoe prachtig, dat Hollandsche met ch. Maar waarom maakt Pasen deel uit van onze maatschappij? Is dit zo’n vage verwijzing naar de joods-christelijke cultuur die Halbe, als het hem uitkomt, graag van stal haalt? Dat kan toch haast niet, want vrijwel niemand weet überhaupt wat de betekenis is van het Paasfeest. Pasen, dat is meer het kleine zusje van Kerst: lekker met elkaar eten, maar dan zonder cadeaus. En waar velen in december uit gewoonte of voor de vorm nog naar de nachtmis of Kerstnachtdienst gaan, zitten de kerken met Goede Vrijdag of Stille Zaterdag nou niet echt vol. Of gaat het Halbe om de Tweede Paasdag, ook wel woonboulevardmaandag genoemd, waarop de ene helft van Nederland vrij is om de andere helft van Nederland een mooie omzet te bezorgen?

Nee, Halbe blijkt een diepere boodschap te hebben: we zijn te tolerant geworden voor intolerantie. En wie zijn er intolerant? Uiteraard de moslims, die maar niks moeten hebben van ons prachtige Paasfeest met bijbehorende eitjes. De HEMA is blijkbaar gezwicht voor de druk van de moslims.

Er is echt geen moslim die blij wordt als je de naam van die eitjes verandert. Je kunt hiervan zeggen: kleine zaak. Maar als je eenmaal op die zeephelling zit, ga je maar één kant op: naar beneden.

Overigens zou ik denken dat een VVD’er het toch zou moeten toejuichen wanneer een ondernemer zijn aanbod diverser maakt om meer klanten te trekken? Paaseitjes voor de tolerante klanten en verstopeitjes voor de intolerante klanten. Pak aan je winst. Halbe past hier een klassieker toe: het glijdende-schaal-argument, beeldend verwoord in de vorm van een zeephelling. Het begint met verstopeitjes en het eindigt bij de invoering van de sharia.

Pasen en Pinksteren hóren bij Nederland. Dat vind ik, ook al ben ik zelf niet religieus. Als je daar aanstoot aan neemt, dan ben je toch intolerant?

Oh wacht even, ook Pinksteren hoort bij Nederland (en vermoedelijk Kerst ook, al wordt dat hier niet genoemd). Blijkbaar is het niet nodig om uit te leggen waarom, maar vindt Halbe het wel belangrijk om te benadrukken dat dat niet komt omdat hij zelf religieus is. Maar vooral de afsluiter is bijzonder: wie nemen er volgens hem aanstoot aan Pinksteren? Bij Pasen waren het de moslims die geen paaseitjes willen, maar waar zijn de moslims dan precies tegen bij Pinksteren? Want wat viert ‘de Nederlander’ dan precies met Pinksteren, welke tradities en symbolen horen daarbij? Of beter gezegd: wie doet überhaupt aan Pinksteren? Nog meer dan bij Pasen heeft vrijwel niemand een idee wat de christelijke betekenis van Pinksteren is en levert het vooral een extra vrije dag op.

Als christen zit ik niet op types als Halbe Zijlstra te wachten die met oneigenlijke argumenten en dommige populistische retoriek Pasen en Pinksteren zeggen te beschermen en als Nederlandse traditie verkopen. Als eenvoudige beschouwer vanaf de zijlijn (met wel een linkse inslag) kan ik alleen maar grinniken om de enorme heisa die om een paar eitjes wordt gemaakt.

  • Facebook
  • Twitter
  • Delicious
  • LinkedIn
  • StumbleUpon
  • Add to favorites
  • Email
  • RSS

Hoera, een Staatscommissie

Hoe feiten en beelden door elkaar lopen en het maar de vraag is wat herziening van het parlementaire stelsel eigenlijk oplost.

  • Facebook
  • Twitter
  • Delicious
  • LinkedIn
  • StumbleUpon
  • Add to favorites
  • Email
  • RSS

Hoewel Loek Hermans zijn dinsdagen inmiddels elders doorbrengt, waarde zijn geest nog altijd rond  in de senaat. Dat kwam door het voorstel dat Hermans in het najaar van 2014 had gedaan voor bezinning op het parlementaire stelsel. Gisteren leidde dat tot een motie van VVD-Eerste Kamerlid Anne-Wil Duthler en enkele collega’s, waarin (als de Tweede Kamer het ook wil) een verzoek aan de regering om een Staatscommissie in te stellen wenselijk werd geacht. Die commissie zou de vraag moeten beantwoorden of het parlementair stelsel ‘voldoende toekomstbestendig’ is en zo niet, wat er dan aan moet worden veranderd.

Zoals de NRC terecht opmerkte is de uiteindelijke opdracht in de motie (en dus voor de eventuele Staatscommissie) een vergaarbak van onderwerpen geworden:

Er is voor elk wat wils: het gaat over de betrokkenheid van burgers bij de politiek en de onvoorspelbaarheid van kiezersgedrag via digitalisering van de samenleving tot de impact van Europese regelgeving.

De laatste keer dat een Staatscommissie zich over dit soort thematiek boog is alweer even geleden. Begin jaren ’80 stelde het kabinet-Van Agt de commissie-Biesheuvel in, die de vraag kreeg hoe kiezers meer invloed op het beleid konden krijgen. Over sommige onderwerpen werd de commissie het zelf niet eens, wat leidde tot verdeelde adviezen of het ontbreken van adviezen. De behandeling in de Tweede Kamer leverde aardige en waarderende woorden op, maar de adviezen werden vrijwel allemaal afgewezen.

Ongeveer tien jaar later was er een andere commissie, onder leiding van Jan de Koning, die advies uitbracht over staatkundige vernieuwing. Dat gebeurde op basis van een lijst onderwerpen die een ‘vraagpuntencommissie’ bestaande uit Kamerleden had bedacht. Deze commissie richtte zich op zowel de Eerste als de Tweede Kamer, op het kiesstelsel en op de kabinetsformatie. Het eindrapport is nog steeds de moeite van het lezen waard en de Staatscommissie die zich er makkelijk vanaf zou willen maken, kan zich beperken tot een vertaling van de analyse en adviezen uit dat rapport naar 2016. Overigens gold ook voor deze commissie dat de Tweede Kamer nauwelijks brood zag in haar voorstellen.

Dan heb ik de Nationale Conventie (2006) nog buiten beschouwing gelaten, die met het verdwijnen van D66 uit het kabinet eveneens een zachte dood stierf. En ook van de aanbevelingen van de parlementaire stuurgroep die in 2009 onder leiding van Jan Schinkelshoek aan zelfreflectie deed is weinig meer vernomen. (Terzijde: het is opvallend dat al deze commissies door een CDA’er werden voorgezeten. Gezien de scepsis bij met name de senaatsfractie van het CDA acht ik de kans dan ook groot dat die partij wederom de voorzitter mag leveren.)

Deze voorgeschiedenis maakt, kortom, wat somber over het lot van een nieuwe Staatscommissie. Er is een gerede kans dat de voorstellen wederom op weinig enthousiasme in het parlement kunnen rekenen. Specifiek in dit geval zie ik ten eerste een probleem met de vraagstelling. Wat wordt precies bedoeld met parlementair stelsel? Wordt daarmee iets anders bedoeld dan het systeem van vertegenwoordigende democratie? Of gaat het over de verhouding tussen Tweede en Eerste Kamer? De relatie volksvertegenwoordiging-regering? Ten tweede worden er heel veel verschillende ontwikkelingen op één hoop gegooid, die niet noodzakelijkerwijs met elkaar te maken hebben en waarbij (wetenschappelijk en politiek) verschil van mening is over omvang en ernst. Bovendien is het nog maar de vraag of ze iets met het parlementair stelsel te maken hebben. Dus of een aanpassing van dat stelsel aan verandering of verbetering gaat bijdragen?

Mij lijkt dat over bijvoorbeeld nieuwe vormen van burgerparticipatie of over electorale volatiliteit al ontzettend veel gedacht, gezegd en geschreven is. Het ‘nietje van Pechtold’ volstaat in de meeste gevallen. Het wordt pas interessant als er concrete actie uit volgt en tot nu toe is de grootste vernieuwing daarbij niet in Den Haag, maar op lokaal niveau te zien. Die concrete actie heeft helemaal geen stelselwijziging nodig. De Staatscommissie kan zich dus het werk besparen. En komt de commissie er toch, dan wens ik Ernst Hirsch Ballin heel veel wijsheid toe.

  • Facebook
  • Twitter
  • Delicious
  • LinkedIn
  • StumbleUpon
  • Add to favorites
  • Email
  • RSS

Dat mag best worden gezegd

Statistiek is een vak apart. En: het probleem is niet dat het niet wordt benoemd, maar dat zo weinig over de echte oplossingen wordt nagedacht.

  • Facebook
  • Twitter
  • Delicious
  • LinkedIn
  • StumbleUpon
  • Add to favorites
  • Email
  • RSS

Een beroemd voorbeeld uit de statistiekboekjes gaat over het verband tussen de omvang van de ooievaarpopulatie en het aantal geboorten in een streek in Duitsland. Zie je wel, zeiden de mensen die nog geloven dat kinderen door de ooievaar worden afgeleverd, veel ooievaars betekent veel geboorten, weinig ooievaars betekent weinig geboorten. We noemen dit in de statistiek een positief verband: als x toeneemt, neemt y toe; neemt x af, dan neemt ook y af. Wat bleek echter? In deze streek woonden ook beduidend meer jonge mensen in de vruchtbare leeftijd, relatief veel katholieken bij wie voortplanting door meneer pastoor werd aangemoedigd en bovendien was het een streek met veel weilanden en sloten, ideaal voor ooievaars. En zo nog wat meer factoren die zowel het aantal ooievaars als het aantal baby’s een boost gaven.

Kortom, als je al die andere factoren meenam, bleek het verband een schijnverband te zijn. Je neemt een aantal andere mogelijke verklaringen mee in het model en ooievaars en baby’s hebben toch niet zo direct met elkaar te maken. Ik moest hieraan denken bij de herkansing die Sywert van Lienden gisteren kreeg in De Wereld Draait Door in gesprek met migratiedeskundige Leo Lucassen. Aanvankelijk had hij berouw getoond over het ‘verwisselen van twee tabellen’ (het ging overigens over wel iets meer dan dat…), maar aan het eind moest het punt toch even gemaakt worden dat allochtonen oververtegenwoordigd zijn zowel bij de algemene misdaadcijfers als bij de zedendelicten. In zijn ogen zat Lucassen zo veel te corrigeren dat het probleem werd weggeredeneerd.

Was dit nu serieus een pleidooi om factoren die er wél toe doen, zoals opleidingsniveau, werkloosheid, gezinssituatie, leeftijd e.d. niet mee te wegen, simpelweg omdat je het punt wilt maken dat allochtonen oververtegenwoordigd zijn? Omdat zogenaamd dat debat in de politiek correcte media niet gevoerd mag worden? Het interessante is namelijk dat zelf als je corrigeert voor die andere factoren, het verband (anders dan bij de ooievaars en de baby’s) overeind blijft. Dat is dus niet wegredeneren, maar in de juiste proporties bekijken. Als student politicologie aan de UvA had Sywert dat toch wel in de colleges van Tom van der Meer moeten hebben geleerd.

Geredeneerd vanuit: wat zou je er als overheid of als samenleving aan kunnen doen, zijn bovendien die andere factoren veel relevanter. Van een Antilliaan maak je niet zomaar een Indonesiër, van een moslim geen atheïst. Aan gebrekkige opleiding, werkloosheid, verslaving, groepsdruk, etc. valt daarentegen wel iets te doen. Zoals de onderzoekers die Van Lienden aanhaalde zelf aangeven, is voor criminaliteit en zeker ook voor zedendelicten geen unieke, alles verklarende factor aan te wijzen.

Ik heb als eenvoudige krantenlezer en journaalkijker trouwens bepaald niet het idee dat cijfers over de oververtegenwoordiging van allochtonen op de verkeerde lijstjes worden weggemoffeld. Ik denk dan alleen al aan de tientallen keren dat ik de term Mocromaffia voorbij heb horen komen of de ruim bemeten zendtijd voor de Wilderianen in en buiten het parlement. Het benoemen van deze feiten lijkt mij dan ook niet het probleem. Veeleer is het de consequentie die eraan wordt verbonden. Ofwel het fatalisme dat het ‘nu eenmaal in de islamitische/Oost-Europese/Antilliaanse/Noord-Afrikaanse cultuur zit’ (haal door wat niet van toepassing is) of het machisme dat die en die moeten ophoepelen naar hun ‘eigen’ land of de grenzen voor die en die dicht moeten.

Wegkijken, wegsturen of weghouden, het lost niks op. Mij lijkt dus de uitdaging om, met kennis van zaken en gevoel voor proporties, nu eens echt tot de kern van het probleem door te dringen. Dan zou het helpen als DWDD een beetje mee wil werken door wat vaker deskundigen in plaats van zelfbenoemde opiniemakers en columnisten uit te nodigen. Die zijn ook nog eens een stuk goedkoper. Bij voorbaat dank.

  • Facebook
  • Twitter
  • Delicious
  • LinkedIn
  • StumbleUpon
  • Add to favorites
  • Email
  • RSS