Proeven aan de provincie VIII: de uitslag

Zonder twijfel zitten veel kandidaten in Noord-Holland, zeker ook die van GroenLinks, vandaag flink zenuwachtig te wezen. Het schijnen de spannendste Statenverkiezingen ooit te zijn. Ik kan dat moeilijk beoordelen, omdat ik er nou ook weer niet zoveel heb meegemaakt.

Het wordt een lange dag, al was het maar omdat nog tot 21.00 gestemd kan worden en veel kandidaten vanochtend al vroeg uit bed waren om ook op de laatste dag nog kiezers voor hun partij naar de stembus te lokken. Even na negenen zal ook in ons provinciehuis een eerste prognose van de uitslag worden gegeven – ik ben benieuwd of RTV Noord-Holland een beetje in de buurt zal blijken te zitten. Dan volgt opnieuw een lange tijd van wachten, terwijl de eerste uitslagen binnendruppelen. Maar van kleine gemeenten als Muiden of Schermer worden we nog niet veel wijzer. Zeker aan het begin van de avond (ik waarschuw maar vast de top-6 van onze lijst) zal het lijken of GroenLinks een heel mager resultaat heeft gehaald, iets van 3 zetels. Pas als Amsterdam binnen is, weten we hoe we er echt voorstaan.

En dan begint het politieke spel echt: de reacties van de lijsttrekkers, meebesturen of pas op de plaats, aantrekken of juist afstoten? Ik zal de verleiding proberen te weerstaan mij daarmee te bemoeien. Maar ach, dat heb ik ook al geschreven in het vorige deel van deze serie, over onderhandelen.

Proeven aan de provincie VII: Onderhandelen

In de afgelopen acht jaar heeft GroenLinks deel uitgemaakt van Gedeputeerde Staten. Telkens samen met VVD en CDA, in de eerste periode daarnaast nog D66, in de tweede periode met de PvdA erbij. Deelname aan een college gaat uiteraard niet vanzelf, maar is het resultaat van onderhandelingen tussen partijen rondom en na de verkiezingen. Dat geldt ook voor de weken waar we nu in zitten: aan de ene kant bestrijden partijen elkaar stevig tijdens de vele debatten, aan de andere kant wordt al geloerd naar en geflirt met potentiële partners.

Er zijn al vele boeken geschreven over onderhandelingen – vaak leer je meer van de mislukte dan van de geslaagde – maar het cliché gaat toch echt op: elke onderhandeling is weer anders. In 2003 had een belangrijk deel van de onderhandelingen al plaatsgevonden in de aanloop naar de verkiezingen (het laatste weekend op Texel speelt daar altijd een cruciale rol in) en was de door PvdA-lijsttrekker georganiseerde officiële opening al voor aanvang achterhaald. CDA en VVD hadden bedacht dat het tijd werd eens te gaan besturen zonder de PvdA en slaagden erin D66 en daarna ook GroenLinks aan zich te binden. Vier jaar geleden nam Ton Hooijmaijers als aanvoerder van winnaar VVD al snel het voortouw en werd in korte tijd duidelijk wie afviel en wie mee mocht doen.

De overeenkomst tussen 2003 en 2007 is dat volgens een vergelijkbaar format een collegeprogramma werd opgesteld. In vier groepjes naar thema geordend, gingen Statenleden van alle vier onderhandelende partijen met elkaar in de weer om teksten te maken. Na soms hevige en langdurige discussies kwamen die groepjes voor 80 of 90% tot overeenstemming. De geschilpunten werden vervolgens besproken door de vier lijsttrekkers, om tot een definitieve tekst te komen en ook de financiële paragraaf toe te voegen. Het bleek beide keren een prima formule om tot een goed inhoudelijk verhaal te komen waarin voor iedere partij voldoende herkenbare punten in zaten, maar ook om elkaar beter te leren kennen en te vertrouwen.

Wanneer zoveel verschillende Statenleden bij de onderhandelingen echt een rol kunnen spelen en het niet een act voor vier heren is, vergroot dat ook het draagvlak bij de coalitiepartijen en het gevoel dat het eindsresultaat ook iets van hen is. Ik zou dus de onderhandelaars van straks willen aanraden het wederom op deze manier aan te pakken.

Dit is het zevende deel van een serie over de provincie, het vorige deel ging over vergaderen

GroenLinks was, is en blijft tegen megastallen

Al dan niet gevoed door partijen die dichtbij ons staan, maar in verkiezingstijd het verschil tussen bondgenoot en tegenstander niet meer kennen, is een verkeerd beeld ontstaan van het standpunt van mijn fractie over megastallen. Daarom klip en klaar: wij willen GEEN megastallen.

1. Hoe kan dat nou, is GroenLinks voor megastallen?

Nee, dit klopt absoluut niet! Al sinds het burgerinitiatief ‘Stop Veefabrieken’ verzet GroenLinks zich tegen megastallen in Noord-Holland. Wij dienden in maart 2009 een motie in die de komst van megastallen – heel concreet: een kippenfabriek in de Wieringermeer – tegenhield. Die motie kreeg een krappe meerderheid, maar haalde het wel. Sindsdien hebben wij ons altijd in woord én daad tegen de megastallen gekeerd. Bovendien stimuleren we diervriendelijke en duurzame veehouderijen, waarbij dieren de ruimte hebben en van de buitenlucht kunnen genieten. Partijen die het tegendeel beweren, doen aan goedkope verkiezingsretoriek.

2. Wat heeft GroenLinks dan ondernomen om megastallen tegen te houden?

Naast onze eigen motie in maart 2009, hebben we ook in juni 2010 een voorstel van de SP gesteund om vestiging en verplaatsing van megastallen te verbieden. In onze motie van afgelopen maandag, 14 februari, schrappen we het ‘concentratiegebied voor intensieve veehouderij’ waardoor zich nergens in de provincie nieuwe megastallen kunnen vestigen. Ook spreekt de motie uit dat stallen hoogstens één bouwlaag mogen hebben, zodat dieren niet in flats gestapeld worden. Dit zijn effectieve beperkingen die de intensieve veehouderij tegengaan. 

3. Hoe zit het dan met die 2 hectare?

We zijn voorstander van een bouwblok van maximaal 1.5 ha, omdat dit één van de manieren is om megastallen tegen te houden. In een groot deel van de provincie geldt ook 1.5 ha als maximum. Op dit moment staat echter in de ruimtelijke ordeningsregels van de provincie (het bestaande beleid) dat in gebieden voor grootschalige landbouw bouwblokken tot véél meer dan 2 hectare mogelijk zijn, omdat het provinciebestuur een ontheffing kan geven. Dit geldt onder andere ook voor intensieve veehouderij. GroenLinks vindt dat zo’n ontheffing de deur voor megastallen wagenwijd open zet en heeft daarom gepleit voor het schrappen van de ontheffing. Dat is dus geen uitbreiding, maar een forse inperking!

4. Zijn er politieke spelletjes gespeeld?

Misschien wel, maar zeker niet door GroenLinks. Wij waren ertegen om besluiten over megastallen over de verkiezingen heen te tillen, maar wilden juist afgelopen maandag keuzes maken, in het belang van mensen en dieren. GroenLinks kiest ervoor niet alleen te roepen vanaf de zijlijn, maar concreet in actie te komen met haalbare voorstellen. We wisten dat we daarbij niet voor 100% onze wensen konden realiseren: gezien de stellingname van PvdA, D66, CDA en VVD was duidelijk dat een beperking tot 1.5 hectare in de hele provincie niet mogelijk zou zijn. Maar wij vonden de andere beperkingen – maximaal één bouwlaag, geen nieuwe megastallen, geen concentratiegebied – minstens zo belangrijk en die zouden we wél voor elkaar gekregen hebben.

Dit bericht verscheen eerder op de site van GroenLinks Noord-Holland

Proeven aan de provincie VI: Vergaderen

Politici zijn goed in lang vergaderen. Provinciale politici zijn daar misschien nog wel beter in dan de gemiddelde politicus en ik zou haast denken dat Noord-Hollandse provinciale politici dit op hun beurt beter kunnen dan de gemiddelde provinciale politicus. Volgens de landelijke norm waarop de vergoeding voor Statenleden is gebaseerd, zijn wij per week 11 uur kwijt aan het Statenwerk. In veel gevallen gaat die tijd bij ons al op aan vergaderen en dan heb ik het nog niet over de voorbereiding op die vergadering, contacten via telefoon en mail of het overleg met mijn eigen fractie. Om een voorbeeld te geven: op 14 februari komen de Staten voor het laatst in deze samenstelling bijeen, waarbij de vergadering begint om 10.00 en naar verwachting om 22.00 is afgelopen.

In de nieuwe periode kunnen de nieuwe Staten natuurlijk beslissen alles anders te doen (in een aantal opzichten zeker aan te raden), maar op dit moment kent Noord-Holland naast de maandelijkse plenaire vergadering een zestal commissies:

  • Water, Agrarische Zaken, Milieu, Economie en Natuur (WAMEN)
  • Wegen, Verkeer en Vervoer, inclusief Zeehavens (WVV)
  • Financiën, Europa, Personeel en Organisatie (FEPO)
  • Ruimtelijke Ordening en Grondbeleid (ROG)
  • Sociale Infrastructuur (SI)
  • Rekeningencommissie

Deze commissies vergaderen volgens een vast schema, telkens op een maandag. Sinds 2007 is dit de vaste vergaderdag, ‘maandag Statendag’, ooit zo ingesteld vanuit de gedachte dat dit voor de buitenwacht het meest herkenbaar is en voor Statenleden handig om hun andere werk op af te stemmen.  De eerste week zijn er drie commissies (ochtend, middag, avond), de tweede week ook drie commissies (idem). De onderwerpen die in deze commissies op de A-agenda staan, komen later terug in de Statenvergadering. Wanneer alle partijen in de commissie het eens zijn met een voorstel, wordt het in de Staten een hamerstuk – oftewel een besluit zonder verdere discussie.

In de meeste gevallen is dat niet zo en willen de woordvoerders graag hun ‘minutes of fame’ in de Statenzaal. Waarschuwing: de meeste Statenleden vinden het vervelend wanneer de discussie uit de commissie plenair nog eens wordt overgedaan. Soms komen in de commissie vragen of kritiekpunten naar voren, waarop de gedeputeerde dan in de aanloop naar de Statenvergadering een reactie kan geven en mogelijk het voorstel nog aanpassen – in de Statenvergadering wordt dan beoordeeld of dat op een goede manier is gebeurd. Het biedt fracties ook de tijd om moties en amendementen te maken en onderling af te stemmen. Het komt ook regelmatig voor dat aan de gedeputeerde wordt gevraagd een toezegging die zij of hij in de commissie heeft gedaan, voor de volledigheid in de Staten nog eens te bevestigen.

De meeste commissies hanteren spreektijd per fractie, wat betekent dat de woordvoerders van een partij goede afspraken moeten maken hoeveel tijd zij aan elk onderwerp besteden. Niet elke voorzitter is even streng, maar de regel is dat wie door de tijd heen is, de rest van de vergadering niet meer het woord kan voeren (interrumperen mag altijd…). De spreektijd wordt in de Statenvergadering strenger gehanteerd: daar is op meerdere schermen ook te zien hoe de minuten teruglopen, dus wie aan het woord is weet wanneer te stoppen. Van belang is bovendien dat iedereen die het woord over een onderwerp wil voeren, zich vooraf bij de griffie meldt. De voorzitter van de vergadering (dat is de Commissaris van de Koningin) nodigt vervolgens de sprekers per onderwerp uit naar voren te komen. Er is dan nog wel plek voor late beslissers en spijtoptanten, maar erg netjes is dat niet.

In de vergadering, maar dat is in de provincie niet anders dan in bijvoorbeeld de Tweede Kamer, wordt gesproken via de voorzitter. Dat zeg je dus aan het begin van je bijdrage en een interruptie – daarvoor staan vooraan twee microfoons – mag alleen na toestemming van de voorzitter. Verwijzingen naar je collega’s gaan altijd met u en met achternaam:  “zoals mevrouw Klomp net zei”, “ik ben het oneens met de heer Van Run”, ook al zeg je buiten de vergadering gewoon Liesje en Jan. In de commissie gaat het er soms wat informeler aan toe (maar dan vooral als de microfoon uit is).

Alle vergaderingen zijn in principe openbaar, er moeten zwaarwegende redenen zijn om een vergadering (ten dele) besloten te houden. Dat betekent dat iedere burger welkom is op de publieke tribune, zowel bij commissie-  als Statenvergadering. Bovendien kunnen deze laatste gevolgd worden via internet. Er wordt van iedere Statenvergadering een woordelijk verslag gemaakt, bij de commissievergadering een verslag op hoofdlijnen, maar desondanks behoorlijk uitgebreid. Bovendien wordt ter voorbereiding op de Statenvergadering bij elk voorstel het advies van de vakcommissie gevoegd, uitgesplitst per partij.

Vergaderen kan heel leuk zijn, het debat fel en stemmingen net erop of eronder. Het kan soms ook langdradig zijn en voor de niet-ingewijden haast onmogelijk te volgen. Wat er wellicht in de komende tijd ook gaat veranderen aan het vergadersysteem, je zult flink wat uren in het provinciehuis doorbrengen. Uithoudingsvermogen is dus geen overbodige luxe en het kweken van zitvlees is aan te raden.

Proeven aan de provincie II: Moties

Eén van de mooiste onderdelen van het politieke handwerk is toch wel de motie. Vandaar dat deel 2 van 'proeven aan de provincie' aan dit fraaie instrument is gewijd. Laat ik meteen ook maar aankondingen dat een volgende keer het amendement aan bod komt (en dan leg ik ook uit wat het verschil met een motie is).

Een motie bevat meestal een verzoek of een opdracht – het dictum - aan het bestuur, in het geval van de provincie is dat Gedeputeerde Staten. Er kan echter ook een mening van de Staten in worden verwoord die niet direct aan GS gericht is, maar bijvoorbeeld aan het kabinet of naburige provincies (tip: vermijd hierbij moties met een hoog 'Noord-Holland waarschuwt … voor de laatste keer'  gehalte). Na de uitspraak die van de Staten wordt verwacht, hoort een motie te eindigen met 'en gaan over tot de orde van de dag'. Uiteraard dient een motie ondertekend te zijn door tenminste één lid van Provinciale Staten.

De essentie zit, zowel taalkundig als politiek-strategisch, in de overwegingen en constateringen. Ten eerste de taal: alle gedachtestreepjes moeten aansluiten bij 'overwegende dat' of 'constaterende dat'; ik weet uit ervaring dat het hier heel vaak misgaat. Zelf heb ik er een voorkeur voor deze overwegingen op te bouwen van generaal naar specifiek. Dus bijvoorbeeld eerst verwijzen naar algemene uitgangspunten van beleid – duurzaamheid, solidariteit, financiële haalbaarheid - en daarna op een specifiek onderwerp inzoomen. Hierbij helpt het als je kunt verwijzen naar al eerder vastgelegd beleid, zoals het collegeprogramma, de structuurvisie (of een andere belangrijke beleidsnota) en soms ook rijksbeleid. De verdere overwegingen zijn dan een nadere invulling of toepassing van dat principe.  

Daarmee kom ik meteen bij het tweede aspect: politieke strategie. Juist de overwegingen kunnen steun voor de motie maken of breken. Met andere woorden, ik ben geneigd met Ab Klink te zeggen dat motieven ertoe doen in de politiek. Natuurlijk zijn andere partijen wel eens bereid uit pragmatische overwegingen toch met een motie in te stemmen, omdat de uitspraak hen - ondanks de overwegingen – wel bevalt. Maar veel discussie ontstaat vaak juist over de overwegingen. Als het goed is, bevat de motie namelijk een dwingende logica die loopt van de brede overwegingen via de specifieke overwegingen en dan naar de uitspraak die van de Staten wordt gevraagd. Hoewel het uiteindelijk draait om het dictum, voelen alle partijen die voor een motie hebben gestemd, zich indirect ook aan de overwegingen gebonden. Als je een meerderheid wilt halen (en het betreft dus geen symboolmotie om een statement te maken), probeer dan in de overwegingen met gevoeligheden van andere partijen rekening te houden.

Een nadeel van de motie is dat deze door het bestuur naast zich neergelegd kan worden. Dit gaat vrijwel nooit zonder slag of stoot. Op z'n minst zal de gedeputeerde in de commissie of in PS moeten uitleggen waarom hij of zij de motie niet uitvoert (of maar ten dele). Niet uitvoeren van een motie kan er uiteindelijk toe leiden dat het vertrouwen in de gedeputeerde wordt opgezegd. Aan de andere kant is mijn ervaring dat je juist vanwege deze uitvluchtmogelijkheid soms eerder steun krijgt voor een motie dan een amendement. Andere partijen kunnen in een latere fase uitleggen dat ze het vooral als een signaal hebben bedoeld, terwijl je op het moment zelf wel politiek en publicitair kunt scoren met een binnengehaalde motie.  Je kunt ook bewust ervoor kiezen in de uitspraak van je motie meerdere opties voor uitvoering open te houden, zodat je een nieuw moment voor invloed en bijsturing inbouwt. Nog een andere mogelijkheid is de motie 'aan te houden' in de hoop dat je na nieuwe ontwikkelingen twijfelaars alsnog over de streep kunt trekken.

Een bijzondere motie is de 'motie vreemd aan de orde van de dag'. Deze gaat over een onderwerp dat niet op de agenda van de Statenvergadering staat, maar wel zo belangrijk wordt gevonden dat het per se die dag besproken moet worden (meestal vanwege de actualiteit). Ik vind dat dit soort moties alleen bij hoge uitzondering ingediend zouden moeten worden. Vaak blijkt dat het ook best op een later tijdstip had gekund, of gekoppeld had kunnen worden aan één van de agendapunten.

Overdaad schaadt sowieso al, maar dat kan nog worden versterkt door haast en slordigheid. Vandaar ook dat ik afsluit met een hartenkreet zuinig te zijn op en met de motie. Anders verliest dit prachtige instrument al gauw zijn glans en zijn waarde.

Dat passen wij wel voor u in

Nieuwe wetten leiden vaak tot nieuwe instrumenten en nieuwe praktijken. Zo ook de nieuwe Wet ruimtelijke ordening en de vertaling die dat heeft gekregen in de Provinciale Stuctuurvisie met bijbehorende Verordening. Eén van de nieuwigheden is dat we als provincie onze eigen belangen moeten benoemen – zoals goede huisvesting voor iedereen of bescherming en ontwikkeling van natuur en landschap. Op het moment dat wij bang zijn dat die belangen worden aangetast, hoort de provincie in actie te komen. Dit kan bijvoorbeeld door een zienswijze in te dienen op een bestemmingsplan van een gemeente, wanneer die in een waardevol gebied woningen wil neerzetten. Nog verdergaand is dat de provincie de procedure "overneemt" met een inpassingsplan.

Overigens kan een inpassingsplan ook op verzoek van gemeenten worden gemaakt. Het is dus zeker niet beperkt tot het bijsturen, terugfluiten of overrulen van trage of onwillige gemeenten. Het kan ook zo z'n voordelen hebben om een project dat zich over meerdere gemeenten uitstrekt (en waar anders iedereen een eigen bestemmingsplan zou maken) via een inpassingsplan te regelen. Daarmee kan het sneller en efficiënter gaan, omdat één partij – in dit geval de provincie – het voortouw neemt. Het nadeel is natuurlijk wel dat de kosten voor rekening van de provincie komen, evenals de beroeps- en bezwaarprocedure.

In de commissie Ruimtelijke Ordening lopen de meningen over de vraag wanneer je wel of niet een inpassingsplan wilt overgaan, behoorlijk uiteen. We zijn het er van links tot rechts over eens dat het geen doel op zich is zoveel mogelijk van dit soort plannen te maken. Als het niet nodig is, dan geen inpassingsplan, maar andere methoden inzetten. 

Maar wanneer is het (niet) nodig? Sommige partijen, met name VVD en CDA, voeren dat laatste principe wel erg ver door. Of het nu vanuit het kostenaspect is, of vanuit de gedachte dat alles in principe decentraal gedaan moet worden, zij pleiten voor het inpassingsplan als uiterste middel: nee, tenzij. De redenering lijkt te zijn dat alleen wanneer gemeenten echt dwarsliggen en niet aan uitvoering van provinciale belangen willen meewerken, het inpassingsplan om de hoek komt kijken. Wanneer gemeenten het eens zijn, ligt een intergemeentelijk bestemmingsplan volgens hen meer voor de hand.

Ook GroenLinks vindt dat we de provincie niet moeten overstelpen met inpassingsplannen. Maar dan eerder vanuit een ja, mits benadering. Natuurlijk zien wij ook dat inpassingsplannen geld kosten en risico's verschuiven van gemeenten naar de provincie. Tegelijk denken wij dat een gezamenlijke aanpak met één leidende overheid ook kosten én tijd kan besparen. Vanuit het perspectief van de burger (ipv de bestuurslaag) betekent dat een zorgvuldigere omgang met belastinggeld.

Het argument dat gemeenten het "toch eens zijn", leidt er bovendien wat mij betreft niet toe dat we dan per definitie geen inpassingsplan maken. Als wij onze rol als gebiedsregisseur (vreselijk woord ik weet het) op de kerntaak (nog zo'n vreselijk woord) ruimtelijke ordening serieus nemen, dan hoort daar ook bij dat we een aantal provinciale belangen actief zelf veilig stellen. De kernvraag is dan niet of er een conflict ligt met de gemeente(n) of dat provincie en gemeente(n) het eens zijn, maar hoe belangrijk wij als provincie het vinden dat een onveilige weg wordt verbeterd, dat natuurgebieden worden aangekocht en dat een bedrijventerrein duurzaam wordt ingericht. Als die vraag positief wordt beantwoord, ligt een inpassingsplan voor de hand. Zeggen wat je denkt én doen wat je zegt.

Sociale veiligheid in de bus

Naar aanleiding van berichten van de NOS heb ik schriftelijke vragen gesteld aan Gedeputeerde Staten over de sociale veiligheid in de bussen. We hebben het inmiddels over ruim 600 incidenten (althans dat aantal is geregistreerd) per jaar. In het verleden is er een Meerjarenprogramma Sociale Veiligheid gemaakt, om zowel de feitelijke veiligheid als de beleving daarvan te verbeteren. Ook heeft een commissie onder leiding van Ruud Vreeman overheid en vervoerders geadviseerd hoe het openbaar vervoer weer veiliger zou kunnen worden. Ik ben vooral benieuwd wat er concreet met die plannen gebeurt.

Niet onverwacht bleek veiligheid een onderwerp dat door de media gretig werd opgepikt. Afgelopen dinsdag mocht ik in het programma ‘De Peiling’ een uurtje op Radio Noord-Holland in discussie met luisteraars. Waar ik nog probeerde af en toe het probleem wat genuanceerd te benaderen, vlogen mij de oplossingen voor breedgeschouderde types, harde klappen en OV-commando’s om de oren. Gelukkig klonk er af en toe ook nog een wat ander geluid, dat de nadruk legde op onderling begrip en praten met elkaar, maar ik begreep ineens weer waar de aanhang voor de PVV vandaan komt…