Adieu wegen, verkeer en vervoer

Het is een aparte ervaring om als 31-jarige nestor te zijn van de Statencommissie Wegen, verkeer en vervoer en dankwoorden aan de voorzitter uit te mogen spreken. Voor de zekerheid bekeek ik gisteravond de troepen om mij heen nog even goed, maar ik was toch echt de enige die al sinds 2003 in deze commissie zit. Het was bovendien een bijzonder moment omdat Nel Eelman, na een afwezigheid van bijna een half jaar door een beenbreuk, op de laatste vergadering weer kon voorzitten. Zoals alle voorgaande keren een pittige klus: elk van mijn collega’s speelde zijn of haar rol in dit politieke gezelschapsspel met verve. Ik kan mij zo voorstellen dat Nel af en toe de wanhoop nabij was, als een vergadering ontregeld raakte en dramatisch uit de tijd liep. Met onderwerpen als de Westfrisiaweg, verbinding A8-A9, de grote zeesluis, aanbesteding van het openbaar vervoer en de OV-chipkaart, is het een commissie waar de tegenstellingen groot kunnen zijn en de emoties heftig (al dan niet door boze en bezorgde insprekers op ons overgedragen).

Het was mooi om in de laatste vergadering af te sluiten met een onderwerp dat mij al die jaren flink heeft beziggehouden: het Noordzeekanaalgebied.  In dit gebied komt zoveel samen: economische ontwikkeling en werkgelegenheid, verduurzaming, milieuruimte en intensief ruimtegebruik.  Om van natuur, recreatie of woningbouw nog maar te zwijgen. Ook vanuit het perspectief van bestuur en beleid veel interessante vraagstukken: wie wil met wie (niet) samenwerken, onder welke voorwaarden en welke organisatie past daarbij? Meer op afstand van de politiek of juist onder directe regie? Met het bedrijfsleven als beleidsmaker of wordt dat alleen aan de overheden toevertrouwd? In de loop van de tijd zijn verschillende plannen, agenda’s en platforms voorbij gekomen, evenals evaluaties die aangaven dat het toch weer net anders moest.

Mijn uitgangspunt in deze discussie is onveranderd dat, voorbij allerlei bestuurlijke constructies, veel fundamenteler nagedacht moet worden over de vraag wat voor soort haven we het Noordzeekanaalgebied willen laten zijn. Wat mij betreft geen tweede Rotterdam, dus verwerking en toegevoegde waarde in plaats van bulkstromen en overslag. Een haven die slim en creatief van de bestaande ruimte gebruik maakt, dus geen opoffering van Houtrakpolder of Wijkermeerpolder.  Dat vereist ook nadenken over welke economische activiteiten je wel en niet wilt  aantrekken, met een keuze voor bedrijven die duurzaam zijn, zowel op het terrein van milieu als het aantal arbeidsplaatsen.

Kortom, een discussie die nooit helemaal af is. Gisteren realiseerde ik mij wederom dat die in de komende tijd in de Staten door anderen gevoerd gaat worden. Maar ik weet nu al zeker dat ik ook vanuit een andere rol niet kan nalaten me er af en toe een beetje mee te bemoeien.