Afscheid van een eigenwijze donder

De eerste kennismaking met Albert was in het voorjaar van 2003, toen we op een flink warme zaterdag met de nieuwe fractie in Hilversum bij elkaar kwamen. Hoe hij daar precies kwam, is mij na al die jaren nog steeds niet helemaal duidelijk. Deze kleine, wat gezette man met rond brilletje en baard, houthakkershemd, type welzijnswerker, bleek de burgemeester van Oostzaan te zijn en hij zou ons gaan helpen om de inzet voor de onderhandelingen te bepalen. Al na een uur was het alsof het nooit anders was geweest: met een paar stiften, een flipover en een grote dosis enthousiasme en humor leidde Albert ons bekwaam door de dag en hielp hij ons aan een stevige wensenlijst én strategie om die te realiseren.

Het resultaat mag bekend zijn: dat college met GroenLinks, D66, CDA en VVD kwam er en wie anders dan Albert ging ons als gedeputeerde daarin vertegenwoordigen. Al snel viel op hoe goed Albert het kon vinden met één van de VVD-gedeputeerden, Cornelis Mooij. Ze waren als Snip en Snap, Knabbel en Babbel, Jut en Jul, Statler en Waldorf: onderling grappend als schooljongens achter in de klas, maar soms ook kijvend als een langgetrouwd stel. Waar Cornelis voor vrijwel alle afspraken van OV en fiets gebruikmaakte, werd Albert een enthousiast gebruiker van de dienstauto. De sfeer in dat college was bijzonder en Albert speelde daarin een hele belangrijke rol.

Mede door het prima werk van Albert kwamen we vier jaar later weer in het college, waarbij de PvdA de plek van D66 innam. Als kersverse fractievoorzitter had ik wel het nodige met Albert te stellen. Toen we in 2007 gingen onderhandelen, kreeg ik een briefje van hem mee met daarop een aantal miljoenen die hij graag geregeld wilde zien voor beheer en onderhoud van natuur. De bedragen liepen op van 2 miljoen in het eerste jaar tot 8 miljoen in het laatste jaar. Toen ik aan de onderhandelingstafel het antwoord schuldig moest blijven waar dat geld precies aan besteed zou worden, besloten we Albert maar eens te bellen. Die wist het ook niet, maar het leek hem zo’n mooie reeks van 2-4-6-8 en de rest snapte toch ook wel dat GroenLinks graag geld voor leuke groene dingen wilde?

In de overleggen die ik daarna met hem had, bij voorkeur met stamppot en een biertje op tafel, kon hij vaak vol trots vertellen over afspraken die hij in het college had gemaakt. Regelmatig dacht ik vooral: hoe heb je dit kunnen bedenken? En niet onbelangrijk: hoe leg ik dit aan de fractie uit? Terwijl Albert ervan overtuigd was dat hij GroenLinks echt een dienst had bewezen. Andersom hadden wij soms ook wensen – Noordboog, Westelijk Tuinbouwgebied – waar Albert helemaal niets in zag. Hij bleef dan stug volhouden, waar hij op andere punten vaak veel flexibeler en toegeeflijker kon zijn. In die zin was Albert een echte bestuurder, die in het belang van het college dacht en die er soms even aan herinnerd moest worden dat hij ook nog van GroenLinks was.

In zijn vrije tijd speurde Albert doopregisters, gemeentelijke archieven en internet af om familiegeschiedenissen te reconstrueren. Zo bracht hij, op basis van de grootouders van moeders- en vaderskant, voor alle collega-gedeputeerden hun kwartierstaten in beeld. Bij toeval kwamen we erachter dat we gezamenlijke voorouders hebben: ergens halverwege de 19e eeuw gaan de lijnen uit elkaar – bij Albert via de vrouwelijke, bij mij via de mannelijke lijn. Sindsdien kreeg ik regelmatig mailtjes met ‘Beste achterneef’ in de aanhef. Nog meer verwantschap dus dan onze band met Friesland en het domineeszoon zijn.

Alberts afscheid van de provincie was onverwacht en de nasleep met Darwind en Econcern ongemakkelijk. Van kwade opzet was volgens mij zeker geen sprake, wel van  onhandigheid en slordigheid. Albert mocht graag dingen regelen – de “briefjes” die wel eens bleven slingeren en soms maanden later plotseling boven tafel kwamen, zijn berucht – en lette niet altijd zo goed op de formele procedures. Laat mij het nou maar op mijn manier doen… En dan kwam het eigenlijk altijd voor elkaar.

Vorig jaar zomer werd duidelijk dat Albert ernstig ziek was en dat de behandeling er vooral op gericht zou zijn de situatie draaglijk te maken en de pijn te verlichten. Via mail hield hij de buitenwacht op de hoogte en dat deed hij met onverbeterlijk optimisme, telkens de lichtpuntjes en positieve signalen benadrukkend. “Leven met kanker is een vak apart; ik leer dagelijks” schreef hij in de laatste van die mails, eind juni. Aan dat leven is nu, oneerlijk vroeg, een einde gekomen. Eigenwijze donder, ik ga je missen!

Albert Moens 1952-2013