Dichterbij mezelf VII: Lucebert

Liefde. Verliefdheid. En daar dan over dichten. Maar niet zo zoetig als candlelight. Misschien met ironie, maar wel oprecht. En geen overbekende poëzie, hoe prachtig die vaak ook is:

Liefde. Verliefdheid. En daar dan over dichten. Maar niet zo zoetig als candlelight. Misschien met ironie, maar wel oprecht. En geen overbekende poëzie, hoe prachtig die vaak ook is:

Wanneer ik morgen doodga
vertel dan aan de bomen
hoeveel ik van je hield

(Hans Andreus: Voor een dag van morgen)

o rep je mijn liefje
ik heb je zo graag
nu of nooit samen slapen
want we zijn er
alleen maar vandaag

(Judith Herzberg: Je zoenen zijn zoeter)

Zo’n dichter waar ik altijd echt even voor moet gaan zitten. De taal is overweldigend, blaast in mijn gezicht, schudt mijn hersens door elkaar. Drie, maximaal vier gedichten per keer. Telkens ontdek ik nieuwe dingen. Snap ik wat er staat? Dringt het echt door?

Als het over liefde gaat, scherp, heftig, raak, dan moet het Lucebert zijn:

X

zij draagt het licht van geluid
zij draagt het geluid van licht
het sluipt de oren uit
het sluit zich binnen de mond in

ze huppelt als een heldere trompet
ze applaudiseert als een schijnwerper
de radio scherpt haar ogen
de fotoos werpen een glimlach
de zomerdag zijn zandtaart
de winternacht zijn ijsbaan

zij gaat welsprekend in het licht staan
in een aria stralend
haar armen klimmen als ibishalsen
in een aria stralend
haar irisspiegels springen
in een aria stralend

uit: de amsterdamse school (1952)