Gewetensdwang

Ik geloof niet dat seks voor het huwelijk verkeerd is, dat homo's zondig zijn of dat de vrouw ondergeschikt is aan de man. Ik geloof niet dat de Bijbel van Genesis tot en met Openbaring letterlijk Gods woord bevat. Ik geloof niet dat je politiek zou moeten bedrijven met de Bijbel in de hand.

Hoewel ik soms op zondag liever had willen uitslapen, ben ik nooit tegen mijn zin met mijn ouders naar de kerk gegaan. Hoewel ik mij soms heb geërgerd aan wat van de kansel werd verkondigd, heb ik altijd de ruimte gevoeld kritiek te leveren en ertegen in te te gaan. Hoewel ik veel scepsis van niet-gelovigen om mij heen heb gemerkt, heb ik nooit belediging of vernedering meegemaakt. 

Ik ben een vrijzinnig politicus en een vrijzinnig gelovige. Juist om die reden volg ik het debat tussen Femke Halsema en André Rouvoet (zie ook de column van Hans Goslinga in Trouw) met belangstelling én ongemak. Ik voel me aangesproken, omdat ik veel sympathie heb voor de genuanceerde manier waarop Halsema een GroenLinkse visie op religie formuleert, die recht doet aan het plezier dat mensen kunnen beleven aan hun geloof en de waarde die het heeft in het maken van levenskeuzes. Maar ook omdat Rouvoet een manier van denken vertegenwoordigt die ik vanuit mijn gereformeerde achtergrond herken en begrijp, waarin ruimte is voor individuele geloofsbeleving die tegelijk niet zonder collectief kan.

Het ongemak komt voort uit de discussie over gewetensdwang en de rol van de overheid om die tegen te gaan. In haar lezing op 9 oktober zei Halsema het als volgt:

Godsdienst is niet vrij als deze gepaard gaat met gewetensdwang en met een groot aantal leefregels en voorschriften die moeten worden nageleefd om respect van de geloofsgenoten te kunnen krijgen.

In het vervolg werd dit vooral toegespitst op moslimvrouwen die worden beperkt in hun vrijheid, thuis moeten blijven in een ondergeschikte positie en weinig aan het sociale leven kunnen deelnemen, omdat hun echtgenoten of vaders dit – met een beroep op hun geloof – niet willen. Ook werd verwezen naar de SGP-vrouwen die vanwege de regels van hun partij niet actief aan het politieke leven kunnen deelnemen. Rouvoet betoogde daartegen dat juist ook het grondrecht van de vrijheid van godsdienst bedoeld is om individuen tegen inmenging van de staat te beschermen. Wanneer individuen ervoor kiezen om met gebruikmaking van die vrijheid op een bepaalde manier te leven, dan dient de staat dit te respecteren en niet met beroep op een ander doel hierin in te grijpen: 

Het argument van emancipatie, hoe legitiem ook als doelstelling van politieke partijen of van overheidsbeleid, is onvoldoende legitimatie om vanuit het politieke domein te interveniëren in het door de grondrechten afgebakende privédomein.

Helaas stellen zowel Rouvoet als Goslinga de opvattingen van Halsema over gewetensdwang en godsdienstvrijheid min of meer op één lijn met de strijd van Wilders tegen de islam. Ten onrechte betoogt Goslinga dat vrijzinnigen een scheiding hanteren tussen 'gekluisterde gelovigen' en 'bevrijde ex-gelovigen', terwijl Halsema bewust juist die schijntegenstelling uit de weg gaat. Rouvoet miskent dat Halsema in haar kritiek op een specifieke groep binnen een veel grotere geloofsgemeenschap verfijnder en oprechter te werk gaat dan de rücksichtlose kruistocht van Wilders tegen de islam (waarbij geen plek is voor een onderscheid tussen orthodoxe en verlichte islam).

Maar Rouvoet heeft in zoverre wel een punt dat het gevaarlijk is om als buitenstaander te oordelen of gelovigen die leven volgens bepaalde regels en voorschriften dit doen uit eigen vrije keuze of dat zij daartoe worden gedwongen. Elke club, vereniging, partij of gemeenschap heeft bepaalde collectieve afspraken waar leden zich aan houden. Met andere woorden, dit is geen uniek kenmerk van een religie. De toevoeging "om respect van de geloofsgenoten te kunnen krijgen" helpt ook niet om dit onderscheid te maken. Veel van het gedrag dat voortkomt uit oprecht zelf ervaren overtuigingen, gerelateerd aan gezamenlijk gedeelde waarden, heeft immers ook tot doel het respect van anderen te krijgen (en is om veel reden wenselijk). 'Respect' is daarmee een onbruikbaar criterium om vast te stellen of wel niet van dwang sprake is. Ten slotte: bij het samenleven met elkaar hoort een zekere dwang uit te gaan van de gezamenlijk afgesproken regels. Niet voor niets worden de tien geboden tegenwoordig vaak de tien leefregels genoemd, omdat zij niet bedoeld zijn om gelovigen van alles tegen hun zin op te leggen, maar bedoeld zijn om het met elkaar omgaan vergemakkelijken. 

Het doet mij denken aan een tamelijk merkwaardige dialoog tussen twee vriendinnen die ik een tijd terug in de trein hoorde. De een probeerde duidelijk te maken dat het tussen haar vriend en haar prima ging, dat ze heel gelukkig was en zij toch wel het beste zou weten hoe ze zich voelde. De ander bleef maar benadrukken dat het helemaal niet goed ging en dat haar vriendin door steeds zo te benadrukken dat ze gelukkig was zichzelf voor de gek hield en leek te wijzen op het tegendeel.

Wie er gelijk had, ik zou het niet weten. Maar het geeft wel het gevaar aan om voor anderen te bepalen in welke situatie zij zitten. Er moet een zekere rem zitten op de neiging van met name linkse partijen anderen tegen hun zin gelukkig te maken en de overheid daarvoor in te zetten. Het maakt het belang van terughoudendheid van de overheid om zich in het privédomein te mengen, des te groter. Want het is sterk de vraag of de zo gewenste emancipatie dichterbij komt, wanneer zij met de zwaardmacht van de staat wordt afgedwongen.

Eén gedachte over “Gewetensdwang”

  1. Bestaat er verschil tussen vrijheid van meningsuiting en vrijheid van godsdienst?
    Heeft een ander het recht om invloed uit te oefenen op iemands gedachten of op iemands gevoelens?
    In een vrije wereld is er geen dwang.
    Jammer dat deze discussie nog steeds gevoerd dient te worden.
    Fijne zondag en natuurlijk een
    Vriendelijke groet uit Amsterdam-ZuidOost

Reacties zijn gesloten.