Hoera, een Staatscommissie

Hoe feiten en beelden door elkaar lopen en het maar de vraag is wat herziening van het parlementaire stelsel eigenlijk oplost.

  • Facebook
  • Twitter
  • Delicious
  • LinkedIn
  • StumbleUpon
  • Add to favorites
  • Email
  • RSS

Hoewel Loek Hermans zijn dinsdagen inmiddels elders doorbrengt, waarde zijn geest nog altijd rond  in de senaat. Dat kwam door het voorstel dat Hermans in het najaar van 2014 had gedaan voor bezinning op het parlementaire stelsel. Gisteren leidde dat tot een motie van VVD-Eerste Kamerlid Anne-Wil Duthler en enkele collega’s, waarin (als de Tweede Kamer het ook wil) een verzoek aan de regering om een Staatscommissie in te stellen wenselijk werd geacht. Die commissie zou de vraag moeten beantwoorden of het parlementair stelsel ‘voldoende toekomstbestendig’ is en zo niet, wat er dan aan moet worden veranderd.

Zoals de NRC terecht opmerkte is de uiteindelijke opdracht in de motie (en dus voor de eventuele Staatscommissie) een vergaarbak van onderwerpen geworden:

Er is voor elk wat wils: het gaat over de betrokkenheid van burgers bij de politiek en de onvoorspelbaarheid van kiezersgedrag via digitalisering van de samenleving tot de impact van Europese regelgeving.

De laatste keer dat een Staatscommissie zich over dit soort thematiek boog is alweer even geleden. Begin jaren ’80 stelde het kabinet-Van Agt de commissie-Biesheuvel in, die de vraag kreeg hoe kiezers meer invloed op het beleid konden krijgen. Over sommige onderwerpen werd de commissie het zelf niet eens, wat leidde tot verdeelde adviezen of het ontbreken van adviezen. De behandeling in de Tweede Kamer leverde aardige en waarderende woorden op, maar de adviezen werden vrijwel allemaal afgewezen.

Ongeveer tien jaar later was er een andere commissie, onder leiding van Jan de Koning, die advies uitbracht over staatkundige vernieuwing. Dat gebeurde op basis van een lijst onderwerpen die een ‘vraagpuntencommissie’ bestaande uit Kamerleden had bedacht. Deze commissie richtte zich op zowel de Eerste als de Tweede Kamer, op het kiesstelsel en op de kabinetsformatie. Het eindrapport is nog steeds de moeite van het lezen waard en de Staatscommissie die zich er makkelijk vanaf zou willen maken, kan zich beperken tot een vertaling van de analyse en adviezen uit dat rapport naar 2016. Overigens gold ook voor deze commissie dat de Tweede Kamer nauwelijks brood zag in haar voorstellen.

Dan heb ik de Nationale Conventie (2006) nog buiten beschouwing gelaten, die met het verdwijnen van D66 uit het kabinet eveneens een zachte dood stierf. En ook van de aanbevelingen van de parlementaire stuurgroep die in 2009 onder leiding van Jan Schinkelshoek aan zelfreflectie deed is weinig meer vernomen. (Terzijde: het is opvallend dat al deze commissies door een CDA’er werden voorgezeten. Gezien de scepsis bij met name de senaatsfractie van het CDA acht ik de kans dan ook groot dat die partij wederom de voorzitter mag leveren.)

Deze voorgeschiedenis maakt, kortom, wat somber over het lot van een nieuwe Staatscommissie. Er is een gerede kans dat de voorstellen wederom op weinig enthousiasme in het parlement kunnen rekenen. Specifiek in dit geval zie ik ten eerste een probleem met de vraagstelling. Wat wordt precies bedoeld met parlementair stelsel? Wordt daarmee iets anders bedoeld dan het systeem van vertegenwoordigende democratie? Of gaat het over de verhouding tussen Tweede en Eerste Kamer? De relatie volksvertegenwoordiging-regering? Ten tweede worden er heel veel verschillende ontwikkelingen op één hoop gegooid, die niet noodzakelijkerwijs met elkaar te maken hebben en waarbij (wetenschappelijk en politiek) verschil van mening is over omvang en ernst. Bovendien is het nog maar de vraag of ze iets met het parlementair stelsel te maken hebben. Dus of een aanpassing van dat stelsel aan verandering of verbetering gaat bijdragen?

Mij lijkt dat over bijvoorbeeld nieuwe vormen van burgerparticipatie of over electorale volatiliteit al ontzettend veel gedacht, gezegd en geschreven is. Het ‘nietje van Pechtold’ volstaat in de meeste gevallen. Het wordt pas interessant als er concrete actie uit volgt en tot nu toe is de grootste vernieuwing daarbij niet in Den Haag, maar op lokaal niveau te zien. Die concrete actie heeft helemaal geen stelselwijziging nodig. De Staatscommissie kan zich dus het werk besparen. En komt de commissie er toch, dan wens ik Ernst Hirsch Ballin heel veel wijsheid toe.

  • Facebook
  • Twitter
  • Delicious
  • LinkedIn
  • StumbleUpon
  • Add to favorites
  • Email
  • RSS