Participatie

Apart begrip eigenlijk, participatie. Van wie gaat het initiatief uit en: doet dat ertoe? Hoe voorkom je dat maatschappelijke ongelijkheid ook wordt weerspiegeld in burgerparticipatie?

  • Facebook
  • Twitter
  • Delicious
  • LinkedIn
  • StumbleUpon
  • Add to favorites
  • Email
  • RSS

Er is iets raars aan de hand met het woord participatie. Het is zo’n woord dat je in het dagelijks gebruik niet vaak zult tegenkomen. Het is een typisch woord uit de wereld van beleid en politiek. Als je elk weekend voetbalt of op woensdagmiddag piano speelt op de muziekschool, zul je niet zeggen dat je participeert in sportieve of culturele activiteiten. Maar dikke kans dat jouw doelpunten of Schubertsonates als participatie worden geregistreerd in een gemeentelijke beleidsnota.

Bewonersparticipatie is het nieuwe (nou ja, nieuwe) mantra van veel gemeenten in Nederland. Er worden vele nota’s en verordeningen over geschreven. Wat opvalt is dat veel van die participatie dan ook (direct of indirect) wordt gedefinieerd als bijdrage aan beleidsprocessen of -doelen van de gemeente. De burger als nuttig hulpmiddel bij het bedenken en uitvoeren van beleid. Wij zorgen voor de afvalinzameling, als u die container in de gaten wilt houden en de buurman aanspreekt die er een vuilniszak naast gooit. Wij subsidiëren kunst en cultuur, als u zelf de bardienst draait in het wijktheater.

Het risico is dat participatie een sterk instrumenteel karakter krijgt en alleen welkom is wanneer in het in het straatje van de overheid past. Liever de coöperatieve, meedenkende burger dan de kritische, dwarsliggende burger. Participatie blijft dan iets van deelnemen aan een spel dat door een ander voor jou is bedacht, met de bijbehorende spelregels.

Interessanter en spannender zijn de initiatieven die inwoners zelf ontwikkelen, zonder op de overheid te wachten of de overheid nodig te hebben. Samen zonnepanelen op de daken leggen, kleine klussen voor elkaar doen, een groenstrook of park onderhouden. Eerder kan daar een inflexibele of regelgedreven overheid in de weg zitten. Juist het willen vatten in algemene regels en procedures kan de innovatie en creativiteit de kop indrukken.

Maar er is wel een dilemma, dat geldt voor zowel de participatie die door de overheid wordt georganiseerd als voor de initiatieven vanuit inwoners zelf. De diplomademocratie die we in de Tweede Kamer of de gemeenteraad zien en die we ook al kennen van diverse vormen van inspraak en interactieve beleidsvorming, steekt ook bij deze nieuwe vormen de kop op. Sommigen kunnen zich nu eenmaal beter organiseren, weten beter de weg te vinden in de wereld van regels en subsidies en zijn beter in staat anderen te mobiliseren en enthousiasmeren. Niet iedereen doet mee, niet elke stem en elk belang wordt gehoord.

Het is deze sociale ongelijkheid die volgens mij de ‘believers’ in mantra’s als eigen kracht, zelforganisatie, de samenleving voorop, aan het denken zou moeten zetten. Aan de ene kant is het prachtig om te zien hoeveel initiatieven ontstaan en hoeveel enthousiasme en betrokkenheid dat teweeg brengt. Maar aan de andere kant is het zorgwekkend dat dit zich beperkt tot een kleine groep die het in zoveel opzichten al goed voor elkaar heeft. Voor zover hier een taak voor overheid en politiek is weggelegd, zou het vooral zijn om aan deze ongelijkheid in uitgangssituatie een eind te maken.

Dit is een bewerkte versie van de inleiding die ik hield bij het slotdebat van de reeks ‘Op losse schroeven’ van het Studium Generale van de Universiteit Utrecht 

  • Facebook
  • Twitter
  • Delicious
  • LinkedIn
  • StumbleUpon
  • Add to favorites
  • Email
  • RSS