Als dat maar goed gaat

Leg de verantwoordelijkheid zo laag mogelijk en organiseer alleen centraal wat centraal geregeld moet worden. Zowel in de ruimtelijke ordening als in het sociale domein is dit idee de laatste jaren dominant geworden. Het herinnert aan het begrip subsidiariteit dat in de Europese Unie sinds de jaren ’90 van de vorige eeuw veel wordt gebruikt. De aanstaande decentralisaties van de Wmo, jeugdzorg en Participatiewet, in politiek-ambtelijk jargon de 3D, passen helemaal in dit plaatje.

Wat ook past in het beeld van de decentralisaties van de laatste decennia is dat een heldere visie waarom juist deze taken juist nu gedecentraliseerd moeten worden ontbreekt en dat tot op het laatst onduidelijkheid blijft bestaan over het precieze budget dat beschikbaar zal zijn. De enige zekerheid is dat het minder zal zijn dan voorheen. Bij de decentralisaties in het sociale domein geldt dat nog sterker: de problemen zijn ‘wicked’ en de maatschappelijke omgeving is complex. Zowel in het huidige systeem als in het nieuwe zijn fouten en incidenten onvermijdelijk.

De argumenten die voor decentralisatie worden aangehaald zijn samen te vatten als: dichter bij burgers, meer maatwerk, integraler en efficiënter. De veronderstelling is dat de gemeente haar inwoners beter kent dan op afstand staande uitvoeringsorganisaties en zo ook beter op de specifieke wensen en behoeften van burgers kan inspelen. Door verschillende regelingen bij elkaar te brengen binnen één bestuurslaag kan beleid beter worden afgestemd, wordt afwenteling of overlap voorkomen en daarmee zou het meer value for money bieden. De effecten van decentralisatie zouden bovendien zijn dat burgers meer betrokken raken en de kwaliteit van beleid toeneemt. Het interessante is dat er in het bestuurskundig onderzoek, zowel in Nederland als in Europees vergelijkend perspectief, amper empirische ondersteuning voor deze gedachten is te vinden. Tegelijk spelen ze in de politieke discussie een grote rol als rechtvaardiging voor decentralisatie.

Wanneer we als criterium hanteren dat lokale overheden met de nieuwe taken en bevoegdheden redelijk uit de voeten kunnen en er geen al te grote ongelukken gebeuren, kunnen we zeggen dat de decentralisaties tot op heden zijn geslaagd. Vanuit dit perspectief mag er het nodige optimisme zijn dat het ook voor de drie decentralisaties op zal gaan. De politieke logica leert bovendien dat hoewel er nog heel wat rafelrandjes zijn en grensconflicten op de loer liggen, de datum van 1 januari 2015 behoorlijk onwrikbaar is geworden en gemeenten alles in het werk zullen stellen die deadline te halen.

Uitstel is geen optie meer. Of dat verstandig is, kun je je afvragen, maar aan de andere kant leert de ervaring dat decentralisatie altijd gaat met vallen en opstaan. Dat lijkt me een nuance om in gedachten te houden voor een ieder die de komende maanden kritisch gaat kijken hoe de gemeenten het er met het nieuwe geld en het nieuwe beleid vanaf gaan brengen.

(gebaseerd op de inleiding gehouden bij de bijeenkomst van het Expertisecentrum Journalistiek over de toekomst van het lokaal bestuur op 24 juni jl.)