Gezamenlijke fractie? In de Tweede Kamer, ja!

Het is al jaren niks met de linkse samenwerking omdat er te veel wordt gepraat – en dan meestal niet met, maar over elkaar – en te weinig wordt gedaan. Om die reden is het voorstel om PvdA en GroenLinks na de senaatsverkiezingen van 2023 één fractie te laten vormen toe te juichen. Eindelijk gebeurt er wat, eindelijk een beetje pragmatisch. Genoeg kopjes thee en koffie, genoeg gezamenlijke bijeenkomsten met twee (of drie) zichtbaar ongemakkelijke partijleiders op een podium, genoeg loze woorden over het belang van samenwerking.

Bovendien: stel, het bevalt niet en het voorbeeld krijgt geen navolging, dan is er ook geen man overboord. Dan gaan GroenLinks en PvdA weer elk huns weegs voor de Tweede Kamer, gemeenteraad, Europees Parlement, etc. In elk geval hebben we het dan geprobeerd. In elk geval hebben we dan een antwoord op de vraag of deze samenwerking kiezers wegjaagt of aantrekt en of een gezamenlijke fractie echt dat strategische voordeel biedt ten opzichte van de rechtse partijen en het kabinet.

Sommigen zullen zeggen dat dit voorstel nog niet ver genoeg gaat. Doe dan meteen een gezamenlijke lijst, dat biedt immers voordeel bij de verdeling van de restzetels in de Eerste Kamer. Als het verleden iets heeft geleerd, is het wel dat GroenLinks niet zo bedreven is in het handig organiseren van de stemmen om bij de senaatsverkiezingen een extra zetel binnen te halen. Of ga nog verder: niet alleen met de PvdA, maar ook met de SP, met Bij1, met de Partij voor de Dieren. Dan heb je pas een blok!  

Toch zit dit voorstel me niet lekker. Dat heeft allereerst te maken met de willekeur om te kiezen voor een fusie van fracties in de Eerste Kamer. Als toevallig de Europese verkiezingen als eerste aan de beurt waren, hadden we dan daar voor een gezamenlijke fractie gekozen? (Nog los van het feit dat dat lastig is omdat PvdA en GroenLinks niet bij dezelfde Europese partijgroep zitten) Het wordt daarmee een losse en toevallige ingreep, die de situatie op alle andere plekken waar GroenLinks en PvdA zijn vertegenwoordigd onveranderd laat. Immers, geen streven naar gezamenlijke lijsten of fracties bij de Statenverkiezingen die aan de basis liggen van de verkiezingen voor de Eerste Kamer.

Het tweede bezwaar, gerelateerd aan het eerste punt, heeft te maken met de manier waarop de Eerste Kamer ingezet wordt als middel om een probleem elders op te lossen. Het lukte PvdA en GroenLinks als combinatie niet om een plek aan tafel te krijgen bij de coalitieonderhandelingen. Het kabinet heeft voldoende mogelijkheden om meerderheden te krijgen waar PvdA en GroenLinks niet voor nodig zijn. En nu moet de schaduw van een grote fractie in de Eerste Kamer die Rutte-IV aan een meerderheid kan helpen, de strategische positie van het groen-rode blok in de Tweede Kamer versterken? Hoe zat het ook alweer met de eigen afwegingen die Eerste en Tweede Kamerleden kunnen maken? Dat je niet in de achterkamers en wandelgangen van de Tweede Kamer aan het kabinet kunt beloven dat de voorstem van de Eerste Kamerleden zeker is?

Mocht het PvdA en GroenLinks in Den Haag menens zijn, dan is de meest logische stap een gezamenlijke fractie te vormen in de Tweede Kamer. Horen we niet steeds hoe groot de inhoudelijke overeenkomsten zijn? Zien we niet regelmatig gezamenlijke voorstellen voorbij komen? Voeren Kamerleden niet steeds vaker mede namens de ander het woord? Voeg dan de daad bij het woord. Dit keer niet afgedwongen door rechtse partijen die liever met één partij zaken doen, dan met twee. Doe het op de plek waar het er echt toe doet, daar waar het primaat van de politiek en van de inhoudelijke koers ligt. Met als bijkomend voordeel dat er eindelijk iets anders in de Kamer gebeurt dan verdere versplintering en polarisering. Tegen dat voorstel zou ik in een referendum meteen ja zeggen.

Het draagvlak vergroten

Wanneer je bestuurders vraagt wat de belangrijkste reden is voor participatie van inwoners, dan is het antwoord meestal dat zij verwachten dat dit leidt tot meer steun voor het beleid. Dat is geen onlogische gedachte. De kans dat je blij gaat zijn met een windmolen in je achtertuin wordt klein wanneer je op geen enkele manier hebt kunnen meepraten over de keuze voor een windmolen op die plek. Of überhaupt over de noodzaak en wenselijkheid van windmolens in jouw gemeente. Er is ook best wat onderzoek dat laat zien dat inwoners beleid beter kunnen accepteren wanneer zij serieus hebben kunnen meedenken en meepraten. Tegelijkertijd, garanties dat een goed participatieproces leidt tot tevredenheid met de uitkomst zijn er zeker niet. Want sommige dingen wilen mensen nu eenmaal niet, linksom of rechtsom.

Ik moest hieraan denken vanwege de Regionale Energiestrategieëen (RES’en) die in 30 regio’s moeten worden gemaakt om concreet de doelen van het Klimaatakkoord in te vullen. In mijn eigen provincie (Utrecht) is het met name de regio U16, met daarin kleine gemeenten als Bunnik en Oudewater, maar ook de stad Utrecht, waar het lastig blijkt om tot overeenstemming te komen. Het draagvlak onder inwoners, maar ook bij diverse gemeenteraden, speelt daarbij een grote rol.

Op papier klinkt het in het Klimaatakkoord heel mooi:

De RES is niet alleen een strategie, het is ook een manier van samenwerken en een proces om te komen tot gedragen plannen waarmee de nationale doelstelling gehaald wordt. Hiervoor dient een uitnodigend proces rond de RES te worden vormgegeven waarin de participatie van belangengroepen, bedrijven en bewoners is verankerd. Door hen aan de voorkant te betrekken bij de vertaling van de nationale ambitie naar het regionaal niveau en de belangen die er spelen duidelijk een plek te geven in het proces van afweging en keuzes, zal dit het draagvlak vergroten.

Klimaatakkoord 2019, D7 Regionale Energie Strategie (RES)

Wat ingewikkeld is aan de RES in vergelijking met andere participatietrajecten is dat het ‘wat’ niet ter discussie staat, zodat het vooral moet gaan over het ‘hoe’. Er is een nationale doelstelling die gehaald moet worden en de regio’s moeten formuleren op welke manier hun plannen daaraan gaan bijdragen. Dat is aan de ene kant een duidelijkheid die bij ander beleid nog wel eens ontbreekt, maar het legt aan de andere kant ook een behoorlijke druk op de participatie. Dat maakt het vervolgens best ingewikkeld om het proces voor belangengroepen, bedrijven en bewoners – die waarschijnlijk elk andere doelen en belangen hebben – uitnodigend te laten zijn. Uitnodigend in de zin van open, laagdrempelig, toegankelijk, maar ook weer niet zo uitnodigend dat de beleidsdoelen nog ter discussie kunnen worden gesteld.

Hoewel de participatie “verankerd” moet worden, is dat in de praktijk van de RES’en erg verschillend en vaak ook vrijblijvend. En van de belangengroepen, bedrijven en bewoners is met name de laatste categorie nog matig aan de regionale tafels vertegenwoordigd. We zien hier hetzelfde als bij de nieuwe Omgevingswet: veel mooie woorden over participatie, maar de concrete uitvoering wordt wel erg vrij gelaten. Maar net zoals een goed, vrij en open debat juist gebaat is bij een aantal heldere, uniforme spelregels, zo geldt dat ook voor participatie. Anders blijft de (veronder)stelling dat het “aan de voorkant betrekken” leidt tot meer draagvlak, vooral besturlijk wensdenken.

Een collega van mij verzuchtte eens dat bestuurders die draagvlak zoeken, moeten beginnen met het maken van betere plannen. Misschien iets te simpel gedacht, maar daar zit een kern van waarheid in. Participatie is niet alleen een proces om te managen. Te veel nadruk op de procesvoorwaarden houdt het risico in dat er te weinig aandacht is voor de inhoudelijke (en vergeet ook niet: de emotionele) kant van de keuzes voor windmolens, en zonneparken. Het gaat om fundamentele keuzes over de verhouding tussen burgers en overheid, om de ruimte die er is om iets anders te doen dan in het format van de overheid mee te gaan en het recht om iets niet te willen. Of in elk geval iets anders te willen.