Een been bijtrekken

Nadat Biden het moeizaam tot stand gekomen miljardenplan had ondertekend, twitterde Tom van der Lee enthousiast dat de VS eindelijk een been bijtrekken voor de aanpak van de klimaatcrisis. Het klonk als een compliment, of in elk geval als een uiting van opluchting. Als je erop gaat letten, ga je het horen, maar ik heb het idee dat die metafoor over het bijtrekkende (of bijgetrokken) been steeds vaker wordt gebruikt.

De eerste keer dat het mij opviel was bij Hugo de Jonge, die begin vorig jaar reageerde op de kritiek dat de coronaprikken in Nederland wel heel langzaam op gang kwamen. We bungelden ongeveer onderaan in Europa. Met zijn kenmerkende optimisme zei de minister: “In de komende twee à drie weken gaan we meer wegprikken dan er binnenkomt. Dat betekent dat we met een paar weken bij zijn, we trekken ons been écht bij.” Blijkbaar is er dus ook een verschil tussen voor de vorm halfslachtig je been bijtrekken en écht bijtrekken. Overigens is deze uitdrukking ook prima van toepassing in de nieuwe rol van De Jonge als minister van bouwen, bouwen en nog eens bouwen. Gezien de torenhoge ambities zijn daar nog heel wat benen bij te trekken.

Het ene been moet worden bijgetrokken, maar wat zegt dit eigenlijk over het andere been? De suggestie is immers dat dat been al lekker op weg is, maar zijn counterpart er een beetje achteraan sukkelt. Toen ik op zoek ging naar nieuwsberichten over het bijtrekkende been, kwam ik dan ook eerst verwijzijngen tegen naar skiërs, schaatsers en hordenlopers. Er is een been dat voorop gaat, snelheid maakt, goed beweegt en een been dat niet helemaal lekker wil. Maar in de VS waren beide benen in vier Trumpjaren hard achteruit aan het rennen als het gaat over klimaat. En in Nederland was het over de hele linie hopeloos gesteld met de vaccinaties: hoezo één been bijtrekken?

De overheid reageert gemakzuchtig en zelfgenoegzaam op het verlangen van de burger naar een veilige samenleving. Het is daarom niet verwonderlijk dat de mensen in toenemende name het vertrouwen in de overheid verliezen. De politiek, de overheid zal op dit punt in hoog tempo haar been moeten bijtrekken. Anders voorspel ik dat de burgerij de politiek de rug zal toekeren, om van ergere zaken maar te zwijgen.”

Voor zover ik kon nagaan, was de Rotterdamse burgemeester Bram Peper in 1992 de eerste politicus die deze vergelijking gebruikte. Zijn waarschuwing is trouwens na dertig jaar onverminderd actueel. Een paar jaar later was het toenmalig premier Kok die het had over de beide benen van de economische ontwikkeling in de Filipijnen. Volgens Kok lag de nadruk te veel op de export en te weinig op investeringen in infrastructuur en onderwijs: “De economische ontwikkeling staat op een been. Het is indrukwekkend wat hier gebeurt. Maar het andere been moet snel bijtrekken, anders onstaan er problemen.” Daarmee is Kok één van de weinigen die de uitdrukking goed en volledig gebruikt.

In de jaren erna zien we weinig bijtrekkende benen meer in de politiek en is het voornamelijk een sportmetafoor, meestal in combinatie met het andere been dat al in de finale staat. Maar in 2014 is het de al eerder genoemde Hugo de Jonge, op dat moment CDA-lijsttrekker bij de gemeenteraadsverkiezingen in Rotterdam die trots is dat het onderwijs in de stad, dat volgens hem jarenlang slecht was, nu echt een been aan het bijtrekken is. Daarna worden er flink wat benen bijgetrokken, in het huidige kabinet bijvoorbeeld door Hoekstra bij de sancties tegen Rusland en door Heijnen bij de vergroening van de leaseauto’s.

Wellicht komt het quasi-daadkrachtig over als je zegt dat je een been bijtrekt, maar eigenlijk is het vooral een erkenning dat je het tot dan toe hebt laten versloffen. Het is veel meer een achterstand inhalen die helemaal niet had moeten ontstaan. Des te pijnlijker wanneer je dat al lang had kunnen doen of heel lang hebt volgehouden dat het allemaal perfect liep. Een beetje zoals de student die wekenlang van bier en zon heeft genoten en zich dan een week lang in de bieb opsluit om zijn paper vijf minuten voor de deadline in te leveren.

Als iemand tegen mij zou zeggen dat ik nu écht een been bijtrek, zou ik dat niet direct als een compliment beschouwen. Het is, kortom, een tamelijk loze en lege uitdrukking, die wat mij betreft snel weer in onbruik mag raken. Tegelijk is die wel kenmerkend voor de inhoudelijke leegte en de schijn van doorpakken en aanpakken van de kabinetten-Rutte, dus ik vrees dat we er nog wel even aan vast zitten.

Boeren!

Eindhoven is al jaren de vijfde stad van Nederland en vooral groot geworden door de industrie, maar supporters van PSV noemen zichzelf nog steeds met trots ‘boeren’. Voor henzelf een geuzennaam, voor tegenstanders uit met name de Randstad een scheldwoord. Zo wordt het toch nog een soort culture war tussen het Brabantse platteland en het stedelijke Holland.

Het is duidelijk dat de protesten van de boeren staan voor een breder onbehagen met de overheid en de Haagse politiek als meest verguisde uiting daarvan. Tegelijkertijd zie je het ongemak waarmee boeren Forumpolitici ontvangen, die nog nooit een koe hebben gemolken of een schop in de hand hebben gehad. En het ongemak van redelijk denkende, welwilende boeren die de protesten door radicale en populistische krachten gekaapt zien worden.

Hoe radicaler en gewelddadiger het protest wordt en hoe meer het zich mengt met bijvoorbeeld antivaxxers en corona-ontkenners, des te minder lijkt het te gaan om het belang van de boer, van de dieren, van het landschap. Des te kleiner ook de kans dat het kabinet geneigd is te luisteren, te bewegen, laat staan de stikstofdoelen en -maatregelen aan te passen.

Een deel van de bevolking zal sympathie blijven houden voor de boeren, al is het op basis van een nostalgisch sentiment van wuivende aren en koeien in de wei, dat weinig meer met de huidige geïndustrialiseerde en grootschalige agrarische sector te maken heeft. Het blokkeren van wegen, in brand steken van hooibalen en ophangen van omgekeerde vlaggen kan lang op vergoelijkend commentaar rekenen. Niet in de laatste plaats van degenen die worden geacht de orde te handhaven.

Maar dat gaat zich een keer tegen de boeren keren en dan houd je alleen nog de steun over van de radicalen en complotdenkers. De LTO heeft dit als geen ander door en doet niet voor niets zo zijn best ook Farmers Defence Force en Agractie aan boord te houden en ze tegelijk in te kapselen door namens die anderen te mogen spreken. Dat kan alleen door het gesprek weer terug te brengen op het (vermeende) economisch belang van de agrarische sector en de noodzaak van verregaande overheidssteun om een ander economisch model mogelijk te maken.

Terug naar de boer als hoeder van het landschap, als (verantwoord) producent, op een manier die toekomstgericht is. De verleiding van radicaal protest, anti-overheidsdenken en het conflict stad-platteland of alles wat je erbij zou kunnen halen weerstaan. Laat de boer als onderdeel van de cultuurstrijd dan maar over aan de voetbalsupporters.

CETA als lakmoesproef?

In december vorig jaar sloten de Tweede Kamerfracties van GroenLinks en PvdA (toen nog onder leiding van Ploumen) een progressief oppositieakkoord. Hierin stonden vijftien ambities die de twee partijen voor elkaar wilden krijgen en waarop zij het kabinetsbeleid wilden gaan beoordelen. De belangrijkste boodschap was, net als tijdens de kabinetsformatie, dat PvdA en GroenLinks voortaan als één blok samen gingen optrekken.

Dit progressief oppositieakkoord is de toetssteen waaraan we het regeringsbeleid beoordelen en de agenda waar wij de komende jaren aan bouwen. Hiermee bundelen we onze macht en laten wij ons niet uit elkaar spelen: Het kabinet kan over deze doelstellingen zaken doen met ons beide, of niet. Niet als het blijft bij een onsje meer of minder, niet over de groei van het BBP, maar over het vergroten van de brede welvaart voor Nederland.

Eén maand en één dag geleden koos het congres van de PvdA in ruime meerderheid voor een fractiefusie met GroenLinks in de Eerste Kamer. De leden van GroenLinks deden dat in een referendum met een nog grotere meerderheid eveneens. Jesse Klaver noemde het de “grote doorbraak voor linkse samenwerking waar we al zo lang op wachten” en Esther-Mirjam Sent kondigde aan een “linkse vuist [te gaan] maken in de Eerste Kamer tegen dit rechtse kabinet.”

Toegegeven, in die vijftien ambities was niks over CETA opgenomen, alleen de doelstelling dat de Europese Unie in 2030 koploper moet zjin in groene banen, eerlijke handel en faire belastingen. Bovendien: tot aan de verkiezingen van 2023 zijn er nog twee afzonderlijke fracties in de Eerste Kamer en kan het dus voorkomen dat de ene fractie (PvdA) voor stemt en de andere fractie (GroenLinks) tegen. Tot slot maakt de Eerste Kamer zijn eigen afwegingen en hoef je als fractie niet hetzelfde te stemmen als je partijgenoten uit de Tweede Kamer.

Het is wat te zwaar om de hele toekomst van de linkse samenwerking op te hangen aan de stemming over CETA, al hebben de voorstanders van deze fractiefusie het er met hun grote woorden wel een beetje naar gemaakt. Zo’n linkse vuist mept nou eenmaal niet zo hard als je een paar vingers mist. Het zegt uiteindelijk niet zo veel dat je op heel veel onderwerpen hetzelfde stemt, als de stemmen tegenover elkaar staan op een cruciaal thema als internationale handel. Zeker nu deze voorstem van de PvdA het verschil maakte tussen het aannemen of verwerpen van CETA.

Het maakt me vooral nieuwsgierig hoe dat in die nieuwe gezamenlijke fractie zou zijn gegaan. Veel hangt ervan af welke afspraken aan het begin zijn gemaakt: wordt er, zoals in de meeste fracties, gestreefd naar unanimiteit of zijn er bij voorbaat vrije kwesties? Maakt het uit of de Tweede Kamerfracties hetzelfde of verschillend hebben gestemd? Bij CETA had ik me dan kunnen voorstellen dat het grotere GroenLinks-deel in de fractie het PvdA-deel had kunnen overtuigen als gehele fractie tegen te stemmen. Maar misschien net zo waarschijnlijk is dat het PvdA-deel dan anders had gestemd dan het GroenLinks-deel.

Mocht dat laatste scenario zich bij meer onderwerpen gaan voordoen, dan is dat goed nieuws voor de coalitie en slecht nieuws voor de linkse samenwerking. Dan is immers de impliciete claim dat de hele gezamenlijke senaatsfractie de voorstellen zal steunen waarop de coalitie aan de wensen van de Tweede Kamerfracties van PvdA en GroenLinks tegemoet is gekomen, veel minder geloofwaardig. En andersom mag de coalitie dan nog speculeren op steun vanuit een deel van die gezamenlijke fractie, ook wanneer PvdA of GroenLinks, of allebei, tegen hebben gestemd in de Tweede Kamer. Het risico van tegen elkaar uitspelen ligt dan weer ouderwets op de loer.

Gezamenlijke fractie? In de Tweede Kamer, ja!

Het is al jaren niks met de linkse samenwerking omdat er te veel wordt gepraat – en dan meestal niet met, maar over elkaar – en te weinig wordt gedaan. Om die reden is het voorstel om PvdA en GroenLinks na de senaatsverkiezingen van 2023 één fractie te laten vormen toe te juichen. Eindelijk gebeurt er wat, eindelijk een beetje pragmatisch. Genoeg kopjes thee en koffie, genoeg gezamenlijke bijeenkomsten met twee (of drie) zichtbaar ongemakkelijke partijleiders op een podium, genoeg loze woorden over het belang van samenwerking.

Bovendien: stel, het bevalt niet en het voorbeeld krijgt geen navolging, dan is er ook geen man overboord. Dan gaan GroenLinks en PvdA weer elk huns weegs voor de Tweede Kamer, gemeenteraad, Europees Parlement, etc. In elk geval hebben we het dan geprobeerd. In elk geval hebben we dan een antwoord op de vraag of deze samenwerking kiezers wegjaagt of aantrekt en of een gezamenlijke fractie echt dat strategische voordeel biedt ten opzichte van de rechtse partijen en het kabinet.

Sommigen zullen zeggen dat dit voorstel nog niet ver genoeg gaat. Doe dan meteen een gezamenlijke lijst, dat biedt immers voordeel bij de verdeling van de restzetels in de Eerste Kamer. Als het verleden iets heeft geleerd, is het wel dat GroenLinks niet zo bedreven is in het handig organiseren van de stemmen om bij de senaatsverkiezingen een extra zetel binnen te halen. Of ga nog verder: niet alleen met de PvdA, maar ook met de SP, met Bij1, met de Partij voor de Dieren. Dan heb je pas een blok!  

Toch zit dit voorstel me niet lekker. Dat heeft allereerst te maken met de willekeur om te kiezen voor een fusie van fracties in de Eerste Kamer. Als toevallig de Europese verkiezingen als eerste aan de beurt waren, hadden we dan daar voor een gezamenlijke fractie gekozen? (Nog los van het feit dat dat lastig is omdat PvdA en GroenLinks niet bij dezelfde Europese partijgroep zitten) Het wordt daarmee een losse en toevallige ingreep, die de situatie op alle andere plekken waar GroenLinks en PvdA zijn vertegenwoordigd onveranderd laat. Immers, geen streven naar gezamenlijke lijsten of fracties bij de Statenverkiezingen die aan de basis liggen van de verkiezingen voor de Eerste Kamer.

Het tweede bezwaar, gerelateerd aan het eerste punt, heeft te maken met de manier waarop de Eerste Kamer ingezet wordt als middel om een probleem elders op te lossen. Het lukte PvdA en GroenLinks als combinatie niet om een plek aan tafel te krijgen bij de coalitieonderhandelingen. Het kabinet heeft voldoende mogelijkheden om meerderheden te krijgen waar PvdA en GroenLinks niet voor nodig zijn. En nu moet de schaduw van een grote fractie in de Eerste Kamer die Rutte-IV aan een meerderheid kan helpen, de strategische positie van het groen-rode blok in de Tweede Kamer versterken? Hoe zat het ook alweer met de eigen afwegingen die Eerste en Tweede Kamerleden kunnen maken? Dat je niet in de achterkamers en wandelgangen van de Tweede Kamer aan het kabinet kunt beloven dat de voorstem van de Eerste Kamerleden zeker is?

Mocht het PvdA en GroenLinks in Den Haag menens zijn, dan is de meest logische stap een gezamenlijke fractie te vormen in de Tweede Kamer. Horen we niet steeds hoe groot de inhoudelijke overeenkomsten zijn? Zien we niet regelmatig gezamenlijke voorstellen voorbij komen? Voeren Kamerleden niet steeds vaker mede namens de ander het woord? Voeg dan de daad bij het woord. Dit keer niet afgedwongen door rechtse partijen die liever met één partij zaken doen, dan met twee. Doe het op de plek waar het er echt toe doet, daar waar het primaat van de politiek en van de inhoudelijke koers ligt. Met als bijkomend voordeel dat er eindelijk iets anders in de Kamer gebeurt dan verdere versplintering en polarisering. Tegen dat voorstel zou ik in een referendum meteen ja zeggen.

Democratisch uitsluiten

Lof en kritiek was er voor partijleiders Kaag en Klaver die hun gemeenteraadsleden opriepen niet in een college te stappen met PVV of FvD. Ja, het was goed om een grens te trekken en partijen die radicaliseren, racistisch zijn en de rechtsstaat ondermijnen bij voorbaat al de deur te wijzen. Nee, je ontneemt hiermee lokale politici de kans hun eigen afwegingen te maken en bovendien is uitsluiten niet democratisch.

Met een oproep aan raadsleden is in principe weinig mis. Zo kan ik me goed voorstellen dat GroenLinks de lokale fracties ook oproept niet te pleiten voor kernenergie, geen onredelijk zware tegenprestatie te eisen voor een bijstandsuitkering, bij stages niet te discrimineren en niet te bezuinigen op de jeugdzorg. Zo’n oproep is vooral ook bedoeld om te laten zien dat een partij landelijk en lokaal vergelijkbare en herkenbare standpunten inneemt. Het bevestigt bij kiezers een paar weken voor de verkiezingen de associaties met het “merk” GroenLinks of D66.

Het ongemakkelijke is echter wel dat hier een Haagse discussie wordt gevoerd ten koste van raadsleden die graag lokale thema’s onder de aandacht willen brengen. Bovendien is de kans heel klein dat D66’ers of GroenLinksers daadwerkelijk in de situatie komen dat zij moeten besluiten over collegesamenwerking met PVV of FvD. De PVV doet immers al jaren mee aan gemeenteraadsverkiezingen, maar slechts in een klein aantal gemeenten, en heeft al die tijd consequent elke vorm van bestuursverantwoordelijkheid ontlopen. Forum heeft zelf al na de enorme zege bij de Statenverkiezingen in 2019 laten zien vrijwel nergens tot besturen in staat te zijn en alle Statenfracties zijn gedecimeerd na een reeks scheuringen en afsplitsingen. Net als de PVV doet FvD maar aan een beperkt aantal verkiezingen mee en als we de peilingen mogen geloven, zal die partij nergens zo groot worden dat je er niet omheen kunt voor het vormen van een college. Daar komt nog bij dat voor PVV en FvD de oppositie een veel fijnere plek is om ongenuanceerd te roepen wat je wilt.

Dan hebben we het nog niet eens gehad over de inhoudelijke verschillen. Hoewel die in de praktijk soms minder groot zijn dan ze in ronkende verkiezingsprogramma’s worden gepresenteerd, zie ik nog niet echt voor me hoe je een coalitieakkoord kunt bedenken waar D66 en/of GroenLinks en PVV en/of Forum een handtekening onder zou willen zetten. Kortom, wat in de Haagse binnenwereld, met PVV als de derde partij van het land en Forum als ontregelaar van parlementaire mores, een begrijpelijke oproep is, maakt op gemeentelijk niveau een vergezochte indruk. Het tweederangskarakter van gemeenteraadsverkiezingen, als peiling over het zittende kabinet, wordt ermee versterkt en dat is precies waar raadsleden niet op zitten te wachten. Mag het weer eens over de inhoud gaan?

Wat me wel verbaasde, is dat in veel kritieken de oproep om niet samen te werken als ondemocratisch werd gekarakteriseerd. Ik zou eigenlijk denken: precies het tegenovergestelde. PvdA en GroenLinks kregen maandenlang de worst voorgehouden dat zij misschien wel aan het nieuwe kabinet-Rutte mee mochten gaan doen en moesten uiteindelijk constateren dat dat er nooit echt in had gezeten. Hoe veel duidelijker was het geweest wanneer VVD en met name CDA voor de verkiezingen of bij de start van de verkenningen hadden gezegd dat zij niet met twee linkse partijen in een kabinet wilden. Wilders had het na de oproep van Kaag en Klaver meteen over meer dan een miljoen PVV-kiezers die in het “foute kamp” werden gezet, maar ik hoorde hem een paar maanden eerder niet over de meer dan een miljoen stemmers van PvdA en GroenLinks die werden uitgesloten toen Rutte met dezelfde partijen als in 2017 een doorstart maakte.

Kenmerk van verkiezingen is dat er winnaars en verliezers zijn en dat er na de coalitieonderhandelingen wederom winnaars en verliezers zijn. Ook dat is democratie: de zetel van de ene partij gaat niet naar de andere partij en hetzelfde geldt voor de stoelen aan tafel in de ministerraad. Ondemocratisch zou zijn om te zeggen dat een partij niet mee mag doen, dat de stemmen op die partij niet geteld mogen worden, of dat die partij geen plek in de Kamer of de raad mag innemen. Maar ik zie niet in hoe vooraf aan de kiezers duidelijk maken met wie je niet wilt samenwerken (en bij voorkeur ook met wie je wél wilt samenwerken) ondemocratisch zou zijn. Denk maar eens terug aan alle VVD- en PvdA-kiezers die in 2012 vooral op Rutte respectievelijk Samson hadden gestemd om te zorgen dat de ander niet zou gaan meeregeren. Het lijkt mij eerder democratische winst om die duidelijkheid te krijgen in een openbaar debat tussen lijsttrekkers in plaats van in de beslotenheid van de onderhandelingen.

Het draagvlak vergroten

Wanneer je bestuurders vraagt wat de belangrijkste reden is voor participatie van inwoners, dan is het antwoord meestal dat zij verwachten dat dit leidt tot meer steun voor het beleid. Dat is geen onlogische gedachte. De kans dat je blij gaat zijn met een windmolen in je achtertuin wordt klein wanneer je op geen enkele manier hebt kunnen meepraten over de keuze voor een windmolen op die plek. Of überhaupt over de noodzaak en wenselijkheid van windmolens in jouw gemeente. Er is ook best wat onderzoek dat laat zien dat inwoners beleid beter kunnen accepteren wanneer zij serieus hebben kunnen meedenken en meepraten. Tegelijkertijd, garanties dat een goed participatieproces leidt tot tevredenheid met de uitkomst zijn er zeker niet. Want sommige dingen wilen mensen nu eenmaal niet, linksom of rechtsom.

Ik moest hieraan denken vanwege de Regionale Energiestrategieëen (RES’en) die in 30 regio’s moeten worden gemaakt om concreet de doelen van het Klimaatakkoord in te vullen. In mijn eigen provincie (Utrecht) is het met name de regio U16, met daarin kleine gemeenten als Bunnik en Oudewater, maar ook de stad Utrecht, waar het lastig blijkt om tot overeenstemming te komen. Het draagvlak onder inwoners, maar ook bij diverse gemeenteraden, speelt daarbij een grote rol.

Op papier klinkt het in het Klimaatakkoord heel mooi:

De RES is niet alleen een strategie, het is ook een manier van samenwerken en een proces om te komen tot gedragen plannen waarmee de nationale doelstelling gehaald wordt. Hiervoor dient een uitnodigend proces rond de RES te worden vormgegeven waarin de participatie van belangengroepen, bedrijven en bewoners is verankerd. Door hen aan de voorkant te betrekken bij de vertaling van de nationale ambitie naar het regionaal niveau en de belangen die er spelen duidelijk een plek te geven in het proces van afweging en keuzes, zal dit het draagvlak vergroten.

Klimaatakkoord 2019, D7 Regionale Energie Strategie (RES)

Wat ingewikkeld is aan de RES in vergelijking met andere participatietrajecten is dat het ‘wat’ niet ter discussie staat, zodat het vooral moet gaan over het ‘hoe’. Er is een nationale doelstelling die gehaald moet worden en de regio’s moeten formuleren op welke manier hun plannen daaraan gaan bijdragen. Dat is aan de ene kant een duidelijkheid die bij ander beleid nog wel eens ontbreekt, maar het legt aan de andere kant ook een behoorlijke druk op de participatie. Dat maakt het vervolgens best ingewikkeld om het proces voor belangengroepen, bedrijven en bewoners – die waarschijnlijk elk andere doelen en belangen hebben – uitnodigend te laten zijn. Uitnodigend in de zin van open, laagdrempelig, toegankelijk, maar ook weer niet zo uitnodigend dat de beleidsdoelen nog ter discussie kunnen worden gesteld.

Hoewel de participatie “verankerd” moet worden, is dat in de praktijk van de RES’en erg verschillend en vaak ook vrijblijvend. En van de belangengroepen, bedrijven en bewoners is met name de laatste categorie nog matig aan de regionale tafels vertegenwoordigd. We zien hier hetzelfde als bij de nieuwe Omgevingswet: veel mooie woorden over participatie, maar de concrete uitvoering wordt wel erg vrij gelaten. Maar net zoals een goed, vrij en open debat juist gebaat is bij een aantal heldere, uniforme spelregels, zo geldt dat ook voor participatie. Anders blijft de (veronder)stelling dat het “aan de voorkant betrekken” leidt tot meer draagvlak, vooral besturlijk wensdenken.

Een collega van mij verzuchtte eens dat bestuurders die draagvlak zoeken, moeten beginnen met het maken van betere plannen. Misschien iets te simpel gedacht, maar daar zit een kern van waarheid in. Participatie is niet alleen een proces om te managen. Te veel nadruk op de procesvoorwaarden houdt het risico in dat er te weinig aandacht is voor de inhoudelijke (en vergeet ook niet: de emotionele) kant van de keuzes voor windmolens, en zonneparken. Het gaat om fundamentele keuzes over de verhouding tussen burgers en overheid, om de ruimte die er is om iets anders te doen dan in het format van de overheid mee te gaan en het recht om iets niet te willen. Of in elk geval iets anders te willen.

Geen verkiezingen

Vandaag zijn de verkiezingen voor de medezeggenschap aan de Universiteit Utrecht gestart. Studenten en medewerkers kunnen tot en met donderdag 8 april stemmen voor zowel de universiteitsraad als voor de faculteitsraad. Dat wil zeggen, in die faculteiten waar er meer kandidaten dan plekken zijn. Helaas is dat in verschillende faculteiten en ook bij de dienstraden niet het geval. Zo zijn er raden waar we nu al weten dat er de komende twee jaar lege plekken zullen zijn. Bij bèta was dat de reden om de verkiezingen uit te stellen, in de hoop dat zich alsnog kandidaten gaan melden.

Het is speculeren waarom het zo lastig is mensen te vinden die in de medezeggenschap willen. Bovendien had het probleem groter kunnen zijn wanneer een aantal oudgedienden, die eigenlijk hun plek graag hadden willen overdragen aan een nieuwe generatie, zich niet alsnog had laten overhalen er twee jaar aan vast te plakken. Op sommige plekken hoor ik ook wel dat leidinggevenden medewerkers, zacht uitgedrukt, bepaald niet stimuleren om zich kandidaat te stellen. Of dat het amper lukt om goede vervanging te krijgen voor je andere taken, zodat velen medezeggenschap min of meer in de vrije tijd moeten doen.

Natuurlijk is er meer te doen om het belang van medezeggenschap zichtbaarder te maken. Natuurlijk is er meer te doen om deelname aan de medezeggenschap aantrekkelijker te maken. Natuurlijk is er meer te doen aan erkenning en waardering van medezeggenschap. Maar net zoals maar een klein deel van de Nederlanders lid is van een politieke partij en een nog veel kleiner deel zich kandidaat stelt voor een vertegenwoordigende functie, zo lijkt het me ook goed te erkennen dat medezeggenschap maar de ‘cup of tea’ is voor een beperkt groep studenten en medewerkers.

Dat betekent volgens mij aan de ene kant dat iedereen die daar iets in kan betekenen nut en noodzaak van goede, kritische en actieve medezeggenschap moet uitdragen. De gekozen raadsleden zullen daarbij een hoge verkiezingsopkomst als een stevige duw in de rug ervaren, dus ga allemaal stemmen! Aan de andere betekent het ook dat in het verbeteren en democratischer maken van de besluitvorming in de universiteit “meer verkiezingen” niet de enige oplossing kan zijn. Het is niet voor niets dat David van Reybrouck, één van de toonaangevende denkers over democratische vernieuwing, zijn boek de titel Tegen verkiezingen meegaf. Er zijn volop creatievere, intelligentere en inhoudelijkere alternatieven beschikbaar. Het mooie is bovendien dat die de medezeggenschap kunnen versterken en effectiever maken. Ik zou bijna zeggen: win-win.