Polderen in de provincie

Wie gaan de komende vier jaar de provincies besturen? Inhoudelijke standpunten, aandacht van de buitenwereld, maar vooral persoonlijke verhoudingen zijn cruciaal.

Forum voor Democratie maakt een spectaculaire entree in de Statenzalen van twaalf provincies. Maar er is weinig tijd om te genieten van de overwinning. In drie provincies krijgt Forum het voortouw bij de coalitievorming, in vrijwel alle andere provincies zal het zich eveneens op mogelijke onderhandelingen moeten gaan voorbereiden. Hoe zal het gepolder in de provincie er de komende weken uit gaan zien en hoe groot is de kans dat bestaande verhoudingen worden doorbroken?

Aandacht van de buitenwereld. Provinciale politiek wordt maar door weinig inwoners actief gevolgd en in de meeste provincies is evenmin sprake van veel media-aandacht. Regionale omroepen en kranten hebben een beperkt bereik en zij hebben er zelf ook voor gekozen provinciale politiek op afstand te volgen. Zeker nu de landelijke mediastorm is gaan liggen, die vooral te maken had met de effecten van de Statenverkiezingen voor de zetelverdeling in de Eerste Kamer en de steun voor het kabinet, zullen de onderhandelende partijen weinig druk van buitenaf ervaren. Veel tussentijdse verantwoording over de formatie hoeven we niet te verwachten, laat staan dat de uiteindelijk gevormde coalitie heel veel aandacht zal krijgen. Dit kan in het voordeel werken van de ‘gevestigde’ partijen die wellicht om Forum heen willen formeren. Het kan ook Forum helpen om buiten het zicht van de camera’s andere partijen tegemoet te komen.

Inhoudelijke standpunten. Provincies gaan over ruimtelijke ordening, natuur, infrastructuur, cultuur, regionale economie en nog een aantal thema’s waarop de inhoudelijke tegenstellingen niet al te groot zijn. In een aantal provincies zijn al duidingsdebatten gehouden of hebben lijsttrekkers via andere kanalen laten weten wat zij van de uitslag vinden en hoe zij zich tot Forum verhouden. Veel partijen beklaagden zich over de onzichtbaarheid van Forum in de campagne en de onbekendheid met de standpunten van Forum (die overigens wel op de diverse websites te vinden zijn). Vaak werd ook afgegeven op standpunten van Forum die door Baudet waren geuit, maar die hadden vooral betrekking op landelijke of Europese politiek.

Wat zijn de mogelijke knelpunten binnen het provinciale domein? Afgaand op de standpunten in Noord-Holland, de provincie die ik uit eigen ervaring het beste ken, zie ik er drie. Het eerste knelpunt is het stoppen met de energietransitie, in het bijzonder windenergie en zonne-energie. Dat zal voor geen enkele partij acceptabel zijn, behalve wellicht voor de PVV, die echter in de afgelopen vier jaar nergens bestuurde en nu ook weinig kans maakt. Het tweede is het voorstel om Schiphol naar zee te verplaatsen, waar de provincie eigenlijk niet over gaat en waar bovendien heel veel geld ingestoken zou moeten worden. Het derde is het snoeien in subsidies, hoewel ook andere partijen hier kritisch op zijn. Niet alleen zijn subsidies een belangrijk instrument voor de provincie om aan tafel te komen en mee te kunnen praten, ook is de laatste jaren al flink gekort op subsidies en gaat het bovendien vaak om subsidies om aan Rijksbeleid uitvoering te geven. Het eerste knelpunt lijkt me niet weg te nemen zonder dat Forum veel water bij de wijn doet, maar voor zowel het tweede als derde punt is een mooie formulering in het coalitieprogramma te vinden waarmee iedereen kan leven.

Persoonlijke verhoudingen. Naar ik vermoed zal de cruciale vraag zijn of er onderling vertrouwen ontstaat tussen de Statenleden van Forum en die van de andere onderhandelende partijen. Een gemiste kans is de provinciale afwezigheid van Forum in campagnetijd, want dat is bij uitstek is ook een periode waarin lijsttrekkers elkaar beter leren kennen (voor zover ze elkaar niet al kenden uit de Staten of uit het college) en mogelijke coalities worden geboren. In deze fase is de keuze van een (in)formateur hierin ook belangrijk: weet hij of zij een sfeer tussen partijen (en personen!) te creëren die een goede basis biedt voor verdere samenwerking?

Goede persoonlijke verhoudingen kunnen ervoor zorgen dat ook partijen die hebben verloren toch weer aan een college deelnemen en dat grote winnaars alsnog in de oppositie komen. CDA, PvdA en VVD vormen al vele jaren het hart van de meeste provinciale coalities en ondanks de verliezen die zij hebben geleden, zullen zij elkaar ook dit keer weer weten te vinden. De komende weken zal ik in elk geval met grote belangstelling de vorming van de twaalf provinciale coalities gaan volgen.

Politiek sensitief aan de slag

Leuk, die verkiezingen, maar nu begint het pas echt. Ambtenaren en politici gaan op zoek naar optimale verhoudingen in de nieuwe raadsperiode. En wij weten raad!

Nu de rook van de verkiezingscampagne is opgetrokken, alle stemmen zijn geteld (en waar nodig herteld) en de nieuwe gemeenteraden zijn geïnstalleerd, is het de hoogste tijd weer gewoon aan het werk te gaan. In het bijzonder geldt dat voor de ambtenaren van de 335 gemeenten die met nieuwe raadsleden en straks ook nieuwe wethouders te maken gaan krijgen. Ben je net een beetje gewend geraakt aan de stijlen, de stokpaardjes en de spanningen van raad en college, kun je (ten dele) weer van voren af aan beginnen.

Een ideaal moment om na te denken over wat het betekent om politiek sensitief te zijn en hoe je daaraan concreet invulling kunt geven. Dat vraagt allereerst een helder idee van wat je rol als ambtenaar is in het besluitvormingsproces en welke rol van de politiek wordt gevraagd. Vervolgens het geruststellende besef dat politici van wat ze belangrijk vinden, meestal geen geheim maken. Niet tijdens de campagne, maar ook niet straks in het collegeakkoord, in hun bijdragen in de commissie of de raad en uiteraard ook op (sociale) media. Weet je daar slim op in te spelen, met behoud van je inhoudelijke deskundigheid en zonder zelf politiek te gaan bedrijven, dan zul je merken hoe veel prettiger en soepeler politieke besluitvorming gaat verlopen.

Een aantal jaren geleden besloten Marike Simons, Maud van de Wiel en ik onze krachten te bundelen in een opleiding Politiek-bestuurlijke sensitiviteit. En zoals dat vaker gaat, groeide daarbij de behoefte om alles wat we zagen en hoorden van de deelnemers en wat we zelf aan kennis en ervaring opdeden, in een boek te vertalen. Van plan naar praktijk bleek nog best een flinke stap, maar trots kunnen we melden dat het boek er nu is. Het bevat zowel wat meer theoretische beschouwingen over de cyclus van beleid voorbereiden, maken en uitvoeren en de verhouding tussen de ambtelijke en de politieke wereld, als veel praktische voorbeelden en tips om politieke sensitiviteit in gemeente, provincie en waterschap concreet vorm te geven.

Politieke sensitiviteit voor ambtenaren: het geheime handboek is te verkrijgen via uitgever Amsterdam University Press of via bol.com

Nummer 31

Over de charme van lijstduwen op plek 31

Het is niet mijn lievelingsgetal en 31 heeft noch als 3+1 noch als geheel een bijzondere betekenis. Maar het is wel heel eervol in een mooie lange rij GroenLinkse lijstduwers te mogen staan voor de komende gemeenteraadsverkiezingen in Utrecht. En dan is 31 een prima plek.

Ik ga geen oproep doen om op mij te stemmen. Alhoewel je weet dat iemand die dat zo formuleert, het stiekem wel heel leuk zou vinden als een paar mensen dat toch doen. Een snelle rekensom leert dat een kandidaat ongeveer 800 stemmen nodig heeft om rechtstreeks in de raad te worden gekozen. De kans dat mij dat gaat lukken, lijkt mij bijzonder klein. Als voorzitter van de kandidatencommissie kan ik bovendien zonder twijfel zeggen dat er uitstekende kandidaten op de echt verkiesbare plaatsen staan.

Lijstduwen is voor mij dan ook vooral een teken van ondersteuning voor de kandidaten boven mij. Ze krijgen van ons een duwtje in de rug, om met frisse energie en ambitie verder te gaan. Als er toevallig iemand is die niet weet wat te stemmen, maar denkt ‘ach die nummer 31 is best een sympathieke vent’ dan is dat voor GroenLinks mooi meegenomen. Want elke stem telt als we weer de grootste van Utrecht willen worden.

 

De poppetjes

Het spel om de poppetjes in de kabinetsformatie hangt van toeval aan elkaar. Dat moet toch anders en beter kunnen?

Op 3 oktober leverde ik de voorspelling in voor de verdeling van de ministersposten die collega Marij en ik hadden opgesteld voor onze interne formatiepool. Dat is sowieso al een gok, vergelijkbaar met de voorspelling voor een EK of WK. Maar omdat op dat moment wel duidelijk was hoe veel ministers er zouden komen, inclusief de verdeling tussen de vier partijen, maar nog niet welke ministeries precies, hadden we nog een extra uitdaging. Bij een WK weet je wel van te voren welke landen meedoen en in welke poule zij zitten.

Uiteraard probeerden we enerzijds een logische indeling van ministeries en ministers te maken en anderzijds rekening te houden met de wonderlijke taferelen die zich altijd afspelen wanneer vier partijen het politieke spel van poppetjes gaan spelen. Maar dit zagen we toch niet aankomen. Ministeriabele kandidaten die met een staatssecretariaat worden afgescheept en niet al te briljante staatssecretarissen die met een ministerschap worden beloond. Maar bovenal: vrijwel iedereen op een ander ministerie dan waar je hem/haar logischerwijs zou verwachten.

Al jaren vraag ik me af of er iets van de recente inzichten uit zowel de organisatiewetenschappelijke literatuur als de literatuur over strategisch HRM op het Binnenhof is doorgedrongen. Want de manier waarop iedere formatie met beleidsthema’s wordt geschoven, inclusief het splitsen of samenvoegen van ministeries (of het omdraaien van de woorden Veiligheid en Justitie) heeft weinig te maken met intelligent organiseren. Al even merkwaardig is het dat in een tijd dat steen en been wordt geklaagd over managers die alleen verstand hebben van managen, maar niet van de inhoud, het een sport lijkt te zijn ministers aan te stellen die vooral niet deskundig zijn op het beleidsterrein waarvoor zij verantwoordelijk gaan worden.

Bovendien hebben we te maken met een zeer beperkte kringetje waarin naar bewindslieden wordt gezocht en hebben partijen de goede gewoonte zich niet te veel te bemoeien met de keuzes van anderen. De duo’s die op verschillende ministeries zijn aangesteld, zitten daar vooral om alle partijen stevige portefeuilles te bieden en het machtsevenwicht tussen partijen te bewaken, niet vanuit een doordachte taakverdeling. Dat had namelijk ook prima gekund door naar de pakketten van minister en staatssecretaris te kijken. En is de vraag of al deze ministers, die elkaar toch heel vaak (in elk geval op vrijdag) gaan tegenkomen, wel als team kunnen functioneren, ergens in het proces gesteld? Of zij complementaire kwaliteiten hebben? Dat nog los van het feit dat de diversiteit ernstig achterblijft.

Misschien komt dit allemaal voort uit de frustratie dat we zeker niet bovenaan gaan eindigen bij de formatiepool. Maar het moet toch mogelijk zijn het samenstellen van een kabinet iets minder houtje-touwtje aan te pakken dan nu gebeurt?

Democratie komt er bekaaid af

Het is in dit regeerakkoord zoeken met een vergrootglas naar ideeën over democratische vernieuwing, laat staan dat er iets van een visie valt te ontwaren.

Op een dag als vandaag vind ik het altijd een prestatie van alle oppositiepartijen dat ze zo snel hun mening klaar hebben over het regeerakkoord. Naast teleurstelling, boosheid, verbijstering en andere afkeurende kwalificaties ook al diverse inhoudelijke bezwaren, waar mogelijk van facts en figures voorzien.

Ik ben uit professionele belangstelling begonnen met 1.2 Bestuur en Koninkrijksrelaties en eerlijk gezegd ook nog niet verder gekomen. Voor de verkiezingen inventariseerde ik samen met collega Ank Michels (kan de link niet meer terugvinden…) wat politieke partijen over democratie en bestuurlijke vernieuwing te melden hebben en toen constateerden we al dat veel partijen terugtrekkende bewegingen maakten. Het einde van het correctief bindend referendum is niet verrassend. Wat nu met enige mitsen en maren in het regeerakkoord is genoemd – ‘als beoogd einddoel voorlopig uit zicht’ – was al in de verkiezingsprogramma’s door een meerderheid afgeserveerd. Daar stond tegenover dat vrijwel alle partijen iets wilden met initiatieven van inwoners die iets voor hun buurt willen doen of (een deel van) overheidstaken willen overnemen. Dat komt wel terug in het regeerakkoord.

Voor het overige is de oogst nogal mager. Zo gaat het over betere controle en het transparanter maken van gemeenschappelijke regelingen, een mix van van onderop en van bovenaf inzetten op gemeentelijke herindeling en erg abstracte statements over openheid, digitalisering en toegankelijkheid. Ook krijg de staatscommissie Parlementair stelsel nog wat extra wensen mee, bij een dankzij de Kamer toch al overvolle lijst. En er staat een tekst over de rol van de Eerste Kamer en toetsing aan de grondwet, die ik mij graag nog eens door een staatsrechtdeskundige laat uitleggen.

Kortom, mijn stelling dat je voor democratische vernieuwing niet in Den Haag maar in de lokale politiek moet zijn, wordt weer eens bevestigd. Tenzij er op andere fronten iets verandert in het takkenpakket van BZK, voel ik nu al medelijden met de toekomstige minister op dit departement.

Daar gaat meer geld naartoe

Waarom de focus op meer geld te eenzijdig is en het hoog tijd wordt naar de achterliggende oorzaken te gaan kijken.

Omdat de definitieve tekst van het regeerakkoord nadert, wordt er enthousiast naar alle mogelijke media gelekt vanuit de onderhandelende partijen. Wat mij elke keer weer opvalt, is dat het belang van een onderwerp steeds wordt afgemeten aan de hoeveelheid (extra) geld die er naartoe gaat. Zoveel miljoen voor de leraren, zoveel voor de militairen en zoveel voor de ouderen. Het is een gewoonte die onder alle partijen van links tot rechts heerst.

Het werkt naar andere partijen: kijk eens hoe goed het mij gelukt is geld binnen te halen, ten koste van waar jij die 100 miljoen eigenlijk aan wilde besteden. Het werkt ook naar de achterban: zie hoe belangrijk wij u vinden, 100 miljoen extra beschikbaar. Maar meer geld is heel vaak helemaal niet de oplossing, eerder een verder uitstel om echt over de oorzaken van een probleem na te denken.

Het is niet voor niets dat bijvoorbeeld de Algemene Rekenkamer regelmatig moet vaststellen dat niet is vast te stellen welke effecten extra geld heeft opgeleverd. Het is niet voor niets dat de ene zorginstelling of school prima met het budget uit de voeten kan, terwijl de andere al kort na de zomer melden dat het geld op is. Het is niet voor niets dat sommige gemeenten de bezuinigingen van de decentralisatie goed hebben kunnen opvangen en andere onder toezicht zijn komen te staan.

Wat zou het mooi zijn wanneer politici en bestuurders in plaats van het automatisme “er is een probleem, dus daar moet meer geld naartoe” zich structureler zouden verdiepen in wat er aan de hand is. Misschien scoort dat niet in campagnetijd en ook niet als je wilt laten zien waarom je gaat meeregeren. Maar gelukkig zijn er (in theorie) nog heel veel maanden en jaren zonder verkiezingen en kabinetsformatie waarin die fundamentele vragen wel kunnen worden gesteld.

Wilhelmus

Het Wilhelmus op school? Geen symboolpolitiek, maar serieus aan de slag met de geschiedenis van de tekst en daarmee die van Nederland. Dan kan het zin hebben.

Je kunt je terecht afvragen of er geen belangrijke onderwerpen op tafel liggen bij de kabinetsformatie. Je kunt er ook terecht op wijzen dat het raar is om het dan niet over ons koloniaal verleden en de slavernij te hebben. En je kunt je er terecht over verbazen dat scholen met nog weer een maatschappelijk thema worden opgezadeld dat een plek moet krijgen in het lesprogramma.

Maar nu het onzalige idee om het volkslied staand elke ochtend te zingen, bij voorkeur ook nog in schooluniform saluerend naar de Hollandsche driekleur, tot redelijke proporties lijkt te zijn teruggebracht, biedt het idee om tekst, betekenis en melodie van het Wilhelmus onderdeel van de lesstof te maken, ook kansen. In de hoop dat ook de regeringspartijen iets meer willen doen dan symboolpolitiek in het kader van oppervlakkige en lege normen en waardenretoriek, een paar suggesties.

In vergelijking met het vorige volkslied, ‘Wien Neerlandsch bloed…’ is het Wilhelmus een ingetogen en beschaafde tekst. Het is enigszins te vergelijken met de psalmen uit het oude testament waarin iemand nadenkt over zijn eigen leven, zijn verhouding tot God en de onderdrukking waar het volk onder lijdt. Het is niet voor niets dat het Wilhelmus (bij mijn weten als enige volkslied) ook in het Liedboek is opgenomen. In de les biedt dit mooie gespreksstof over de geschiedenis van de godsdienstige twisten – een tijd lang vonden de katholieken het Wilhelmus maar niks -tot de dag van vandaag. Waarbij het een leuk detail is dat de melodie gebaseerd is op een Frans spotlied over de hugenoten.

Ook is het een mooie aanleiding voor een gesprek over opkomend nationalisme: in de jaren ’30 van de vorige eeuw werd niet voor niets gekozen het Wilhelmus in ere te herstellen. ‘Van vreemde smetten vrij’ was toen al net zo verwerpelijk als ‘homeopathische verdunning’ of ‘ons volk wordt vervangen’ wat we anno 2017 horen. Het Wilhelmus heeft bovendien gelukkig weinig van het militarisme en triomfalisme dat in het Amerikaanse of Franse volkslied klinkt.

Al even interessant is het om met een kritische blik te kijken naar de persoon van Willem van Oranje. Wat voor man was het? Wat dreef hem? Wat was zijn politieke en godsdienstige strategie? Er lijken weinig redenen hem van zijn sokkel te trekken, maar al te veel heilig verklaren, zoals bijvoorbeeld in het Wilhelmus gebeurt, hoeft ook weer niet.

Kortom, het Wilhelmus biedt mooie aanknopingspunten om de discussies te voeren die nodig moeten worden gevoerd over wat het betekent Nederlander te zijn en hoe we terugkijken op onze geschiedenis. Het zou ook een mooie aanleiding zijn om het Wilhelmus te vertalen naar een 21e eeuwse versie, want hoe actueel de thema’s ook zijn, de tekst is dat niet.