Op de drempel van het jaar

Nog maar een paar dagen en we kunnen 2020 achter ons laten. Nou ja, achter ons, we slepen natuurlijk een hoop gedoe en ellende mee naar het volgende jaar. Volgens Hugo de Jonge wordt 2021 zeker beter dan 2020 en laten we deze rasoptimist voor deze ene keer dan maar geloven.

Ik moest denken aan een lied dat ik lang geleden op de basisschool leerde en dat we dan op zondag ook in de kerk zongen. Bij welke gelegenheid het precies was, weet ik niet meer. Het lied bezingt het joodse nieuwjaar, rosj hasjana, maar dat trekt zich natuurlijk weinig aan van de christelijke feesten waar zo’n lied meestal aan was gekoppeld.

Op de drempel van het jaar klinkt de stem van de sjofar

Als jouw naam wordt opgeschreven in Gods boek van eeuwig leven

Wordt het nieuwe jaar vast goed, als een appeltje zo zoet

Een goed en zoet nieuwjaar, iets om naar uit te kijken. Met:

  • vanaf eind mei twee van de drie kinderen op de basisschool
  • voor de zomer weer vergaderen met de universiteitsraad op locatie
  • in mei (of eerder…) de 35e landstitel voor Ajax
  • minimaal 15 zetels voor GroenLinks in maart
  • aan het eind van het jaar 1.500 hardloopkilometers afgelegd
  • weer (ver) over de grens geweest in de zomervakantie en weekendjes weg
  • borrels, etentjes, film- en theaterbezoek
  • ontmoetingen met oude en nieuwe bekenden
  • nog meer moois!

Hardlopen is (g)een hobby

Elke paar weken komt er weer een mailtje. Eerst was het nog optimistisch uitstel, daarna afstel en nu een gemaakt vrolijke oproep om dan maar je eigen route op je eigen moment te lopen. Hardlopen is voor mij een soort van hobby, maar wel eentje waarbij ik ook wat doelen nodig heb. Bij voorkeur in de vorm van een wedstrijd van ergens tussen de 10 en 15 kilometer. Je komt nog eens ergens, de ene keer is het prima georganiseerd van aanmelding tot vervoer, een andere keer kan de organisatie wel wat beter.

De lol van hardlopen is ook dat het een excuus biedt om schema’s te maken en excelbestanden bij te houden. Die schema’s waren oorspronkelijk bedoeld om goed te plannen in aanloop naar een wedstrijd en me te richten op een bepaalde snelheid. Dat betekent dat ik per hardlooprondje weet hoeveel kilometer ik op welk tempo moet lopen. Bovendien heb ik Utrecht zo ook leren kennen als: “daar ben ik nog 1,7 kilometer van huis”. Want ik houd mij strikt aan de te lopen afstand, dus als de 8 kilometer erop zitten wil ik niet nog een eind naar huis hoeven lopen. Goed rekenen dus en soms een beetje afsnijden en soms juist een straatje extra.

Het fijne van een sporthorloge is dat je onderweg weet hoe het gaat en na afloop van het rondje meteen kunt synchroniseren met Strava. Voor de liefhebber van statistieken is Strava sowieso een feestje. Het excelbestand is vooral om mijn progressie door de tijd bij te houden (of het gebrek daaraan – teken van het verouderingsproces?) door bijvoorbeeld te kunnen zien hoe snel ik de Singelloop rende in 2019 ten opzichte van 2015, of een race in het voorjaar met het najaar te kunnen vergelijken.

Kortom, ik vermaak me wel met dit soort persoonlijke doelstellingen en bijbehorend geregistreer en gereken. De eerlijk gebiedt bovendien te zeggen dat het af en toe best frustrerend is om de eerste paar kilometer niet op snelheid te komen door een drukke start en lopers die weigeren om rechts te lopen en zich te laten inhalen. En Excel is geduldig. Maar toch, al was het maar vanwege de hoop om ergens toch nog een paar seconden van een persoonlijk record af te kunnen snoepen: dan toch liever een echte race.

Wat mag een Statenlid verdienen?

Je doet het toch niet voor het geld? Eens in de zoveel jaar komt de discussie over de hoogte van vergoedingen voor politici weer op. Concrete aanleiding is dit keer het Statenledenonderzoek dat Daadkracht voor de vierde keer heeft gehouden. Sowieso zijn het de Statenleden die de grootste onvrede over de vergoeding laten horen, meer dan bijvoorbeeld gemeenteraadsleden. Daarnaast hebben mijn Utrechtse collega Hans Vollaard en ik dit voorjaar samen met SEO Economisch Onderzoek een rapport geschreven over de vergoedingen van Statenleden en algemeen bestuursleden van waterschappen. Wij deden het onderzoek in opdracht van het ministerie van BZK als uitvloeisel van een toezegging van minister Ollongren aan de Tweede Kamer.

De laatste keer dat er uitgebreid onderzoek werd gedaan naar de vergoeding van politici was ten tijde van de commissie-Dijkstal, nu 16 jaar geleden. Destijds ging het over alle vergoedingen voor politieke functionarissen en het advies was om de vergoedingen te relateren aan het ministerssalaris. Van het advies kwam uiteindelijk weinig terecht, omdat het kabinet het in tijden van economische crisis niet gepast vond de vergoedingen te verhogen. De ironie is dat ons rapport (met een veel beperktere scope dan Dijkstal) eveneens nog niet door de Kamer is behandeld, omdat het in coronatijden nu eenmaal niet bovenop de stapel komt te liggen. Ik ben dan ook benieuwd hoe het dit rapport zal vergaan wanneer het “nieuwe normaal” in politiek Den Haag is ingetreden. Zou het dit keer wel lukken om de vergoedingen te verhogen?

Los van de vraag of een verhoging te rechtvaardigen is (wij denken overigens van wel), zou het sowieso prettig zijn een wat logischere structuur in de vergoedingen aan te brengen. Lange tijd gold bij elke politieke functie net weer een andere logica achter de bezoldiging en ook het referentiekader verschilde per functie. Zo werden bijvoorbeeld de vergoedingen voor Kamerleden en burgemeesters gekoppeld aan de ambtenarensalarissen, terwijl Statenleden gelijke tred hielden met gedeputeerden. Eens in de zoveel tijd werd geconstateerd dat een bepaalde groep achterliep en werden ad hoc aanpassingen gedaan. Dat gebeurde bijvoorbeeld voor raadsleden bij de invoering van het dualisme en recent bij de samenvoeging van een aantal categorieën gemeenten. Dat is op zich ook al weer een opvallend verschil: terwijl een raadslid in Amsterdam of Rotterdam een veel hogere vergoeding krijgt dan een raadslid op Texel of Schiermonnikoog, is de vergoeding voor Statenleden in Zuid-Holland en Drenthe gelijk.

Volksvertegenwoordigers krijgen een vergoeding voor hun werkzaamheden, waarbij de gedachte is dat die compenseert voor inkomsten die je mist omdat je minder gaat werken in je “hoofdfunctie”. Het is de gedachte, want in de praktijk maakt het natuurlijk wel verschil of je een student met een bijbaantje in de horeca bent of partner bij een advocatenkantoor hoeveel je “inlevert” wanneer je een dag minder gaat werken. Om die reden wordt vaker gekeken naar hoeveel tijd volksvertegenwoordigers besteden aan hun politieke activiteiten en wat voor die hoeveelheid uren een redelijke vergoeding zou zijn. Dat laatste heeft wel twee nadelen. Ten eerste is het gebaseerd op zelfrapportage, vergelijkbaar met de vraag die studenten in de cursusevaluatie moeten invullen: “hoeveel tijd heb je per week aan deze cursus besteed?” Om die reden moeten we quasi-feitelijke stellingen als “Statenleden verdienen gemiddeld € 12,25 per uur” met de nodige korrels zout nemen. Ten tweede zou je dan kunnen zeggen dat iemand er ook niet zoveel tijd aan zou hoeven te besteden, het kan toch wel met een paar uurtjes minder? Schiet meteen ook je (fictieve) vergoeding per uur omhoog…

Beide benaderingen helpen daarom niet om een redelijke vergoeding voor Statenleden te bepalen. Gaat het echt om gederfde inkomsten, dan zou je een systeem krijgen waarin in theorie elk Statenlid een andere vergoeding krijgt, afhankelijk van wat hij of zij misloopt. We zien aan de NOW-regeling dat dit een ingewikkelde operatie wordt en het leidt tot onwenselijke ongelijkheid tussen Statenleden. Gaat het daarentegen om bestede uren, dan zouden Statenleden eigenlijk moeten tijdschrijven en vervolgens urenbriefjes inleveren. Maar het betekent ook dat er in theorie geen maximum zit aan dat aantal uren (en welke daarvan zijn eigenlijk declarabel?). In beide gevallen zijn weliswaar gemiddelden of medianen te berekenen, maar erg bevredigend is dat toch niet.

Het is, kortom, de vraag of er een objectieve maatstaf te vinden is. Waarschijnlijk niet, maar de insteek die we in het rapport hebben gekozen, is om te kijken naar taakzwaarte. In 2007 is het aantal Statenleden met zo’n 200 verminderd, terwijl de Nederlandse bevolking blijft groeien. Het politieke landschap is gefragmenteerd: Provinciale Staten bestaan uit veel partijen, voor een coalitie zijn al snel vijf partijen nodig. Er is meer nadruk komen te liggen op samenwerken, netwerken, inwonersparticipatie en de complexiteit van beleid is toegenomen, mede door de verwevenheid met Europese wetten en regels. Er wordt al met al meer gevraagd van Statenleden.

Dit zijn ontwikkelingen die we ook bij andere overheden zien, zoals gemeenten en waterschappen. Het lijkt dan ook logisch om in de vergoeding voor volksvertegenwoordigers een relatie tussen die overheden te leggen. Voor de waterschappen is dat al in 2008 gebeurd, toen werd besloten om de vergoeding op 1/3 te zetten van die voor raadsleden in middelgrote gemeenten. Voor de provincies zou dit de volgende stap kunnen zijn: in het rapport adviseren we omhoog te gaan naar tussen de 80% en 100% van de eerder genoemde vergoeding voor raadsleden. Het is bovendien passender dan de koppeling aan het ministerssalaris, omdat bestuurders sowieso een andere rechtspositie hebben, voltijd politicus zijn en na afloop van hun bestuursperiode ook andere vooruitzichten hebben op de arbeidsmarkt.

Ik ben bijna nooit een politicus tegengekomen die het alleen voor het geld doet. Maar het is wel goed verdedigbaar dat er een vergoeding staat tegenover de vele uren die in het politieke werk worden gestoken. Voor een deel kun je criteria bedenken en onderbouwen om tot een bepaalde hoogte van de vergoeding te komen én om daarin geen vreemde verschillen in vergoeding te laten ontstaan bij vergelijkbare vertegenwoordigende functies. Tegelijkertijd is het onderaan de streep een politieke afweging hoe hoog die vergoeding mag zijn. Ik ben dan ook heel benieuwd of het lot van ons rapport anders gaat zijn dan dat van de commissie-Dijkstal.


De poppetjes

Op 3 oktober leverde ik de voorspelling in voor de verdeling van de ministersposten die collega Marij en ik hadden opgesteld voor onze interne formatiepool. Dat is sowieso al een gok, vergelijkbaar met de voorspelling voor een EK of WK. Maar omdat op dat moment wel duidelijk was hoe veel ministers er zouden komen, inclusief de verdeling tussen de vier partijen, maar nog niet welke ministeries precies, hadden we nog een extra uitdaging. Bij een WK weet je wel van te voren welke landen meedoen en in welke poule zij zitten.

Uiteraard probeerden we enerzijds een logische indeling van ministeries en ministers te maken en anderzijds rekening te houden met de wonderlijke taferelen die zich altijd afspelen wanneer vier partijen het politieke spel van poppetjes gaan spelen. Maar dit zagen we toch niet aankomen. Ministeriabele kandidaten die met een staatssecretariaat worden afgescheept en niet al te briljante staatssecretarissen die met een ministerschap worden beloond. Maar bovenal: vrijwel iedereen op een ander ministerie dan waar je hem/haar logischerwijs zou verwachten.

Al jaren vraag ik me af of er iets van de recente inzichten uit zowel de organisatiewetenschappelijke literatuur als de literatuur over strategisch HRM op het Binnenhof is doorgedrongen. Want de manier waarop iedere formatie met beleidsthema’s wordt geschoven, inclusief het splitsen of samenvoegen van ministeries (of het omdraaien van de woorden Veiligheid en Justitie) heeft weinig te maken met intelligent organiseren. Al even merkwaardig is het dat in een tijd dat steen en been wordt geklaagd over managers die alleen verstand hebben van managen, maar niet van de inhoud, het een sport lijkt te zijn ministers aan te stellen die vooral niet deskundig zijn op het beleidsterrein waarvoor zij verantwoordelijk gaan worden.

Bovendien hebben we te maken met een zeer beperkte kringetje waarin naar bewindslieden wordt gezocht en hebben partijen de goede gewoonte zich niet te veel te bemoeien met de keuzes van anderen. De duo’s die op verschillende ministeries zijn aangesteld, zitten daar vooral om alle partijen stevige portefeuilles te bieden en het machtsevenwicht tussen partijen te bewaken, niet vanuit een doordachte taakverdeling. Dat had namelijk ook prima gekund door naar de pakketten van minister en staatssecretaris te kijken. En is de vraag of al deze ministers, die elkaar toch heel vaak (in elk geval op vrijdag) gaan tegenkomen, wel als team kunnen functioneren, ergens in het proces gesteld? Of zij complementaire kwaliteiten hebben? Dat nog los van het feit dat de diversiteit ernstig achterblijft.

Misschien komt dit allemaal voort uit de frustratie dat we zeker niet bovenaan gaan eindigen bij de formatiepool. Maar het moet toch mogelijk zijn het samenstellen van een kabinet iets minder houtje-touwtje aan te pakken dan nu gebeurt?

Democratie komt er bekaaid af

Op een dag als vandaag vind ik het altijd een prestatie van alle oppositiepartijen dat ze zo snel hun mening klaar hebben over het regeerakkoord. Naast teleurstelling, boosheid, verbijstering en andere afkeurende kwalificaties ook al diverse inhoudelijke bezwaren, waar mogelijk van facts en figures voorzien.

Ik ben uit professionele belangstelling begonnen met 1.2 Bestuur en Koninkrijksrelaties en eerlijk gezegd ook nog niet verder gekomen. Voor de verkiezingen inventariseerde ik samen met collega Ank Michels (kan de link niet meer terugvinden…) wat politieke partijen over democratie en bestuurlijke vernieuwing te melden hebben en toen constateerden we al dat veel partijen terugtrekkende bewegingen maakten. Het einde van het correctief bindend referendum is niet verrassend. Wat nu met enige mitsen en maren in het regeerakkoord is genoemd – ‘als beoogd einddoel voorlopig uit zicht’ – was al in de verkiezingsprogramma’s door een meerderheid afgeserveerd. Daar stond tegenover dat vrijwel alle partijen iets wilden met initiatieven van inwoners die iets voor hun buurt willen doen of (een deel van) overheidstaken willen overnemen. Dat komt wel terug in het regeerakkoord.

Voor het overige is de oogst nogal mager. Zo gaat het over betere controle en het transparanter maken van gemeenschappelijke regelingen, een mix van van onderop en van bovenaf inzetten op gemeentelijke herindeling en erg abstracte statements over openheid, digitalisering en toegankelijkheid. Ook krijg de staatscommissie Parlementair stelsel nog wat extra wensen mee, bij een dankzij de Kamer toch al overvolle lijst. En er staat een tekst over de rol van de Eerste Kamer en toetsing aan de grondwet, die ik mij graag nog eens door een staatsrechtdeskundige laat uitleggen.

Kortom, mijn stelling dat je voor democratische vernieuwing niet in Den Haag maar in de lokale politiek moet zijn, wordt weer eens bevestigd. Tenzij er op andere fronten iets verandert in het takkenpakket van BZK, voel ik nu al medelijden met de toekomstige minister op dit departement.

Daar gaat meer geld naartoe

Omdat de definitieve tekst van het regeerakkoord nadert, wordt er enthousiast naar alle mogelijke media gelekt vanuit de onderhandelende partijen. Wat mij elke keer weer opvalt, is dat het belang van een onderwerp steeds wordt afgemeten aan de hoeveelheid (extra) geld die er naartoe gaat. Zoveel miljoen voor de leraren, zoveel voor de militairen en zoveel voor de ouderen. Het is een gewoonte die onder alle partijen van links tot rechts heerst.

Het werkt naar andere partijen: kijk eens hoe goed het mij gelukt is geld binnen te halen, ten koste van waar jij die 100 miljoen eigenlijk aan wilde besteden. Het werkt ook naar de achterban: zie hoe belangrijk wij u vinden, 100 miljoen extra beschikbaar. Maar meer geld is heel vaak helemaal niet de oplossing, eerder een verder uitstel om echt over de oorzaken van een probleem na te denken.

Het is niet voor niets dat bijvoorbeeld de Algemene Rekenkamer regelmatig moet vaststellen dat niet is vast te stellen welke effecten extra geld heeft opgeleverd. Het is niet voor niets dat de ene zorginstelling of school prima met het budget uit de voeten kan, terwijl de andere al kort na de zomer melden dat het geld op is. Het is niet voor niets dat sommige gemeenten de bezuinigingen van de decentralisatie goed hebben kunnen opvangen en andere onder toezicht zijn komen te staan.

Wat zou het mooi zijn wanneer politici en bestuurders in plaats van het automatisme “er is een probleem, dus daar moet meer geld naartoe” zich structureler zouden verdiepen in wat er aan de hand is. Misschien scoort dat niet in campagnetijd en ook niet als je wilt laten zien waarom je gaat meeregeren. Maar gelukkig zijn er (in theorie) nog heel veel maanden en jaren zonder verkiezingen en kabinetsformatie waarin die fundamentele vragen wel kunnen worden gesteld.

Participatie

Er is iets raars aan de hand met het woord participatie. Het is zo’n woord dat je in het dagelijks gebruik niet vaak zult tegenkomen. Het is een typisch woord uit de wereld van beleid en politiek. Als je elk weekend voetbalt of op woensdagmiddag piano speelt op de muziekschool, zul je niet zeggen dat je participeert in sportieve of culturele activiteiten. Maar dikke kans dat jouw doelpunten of Schubertsonates als participatie worden geregistreerd in een gemeentelijke beleidsnota.

Bewonersparticipatie is het nieuwe (nou ja, nieuwe) mantra van veel gemeenten in Nederland. Er worden vele nota’s en verordeningen over geschreven. Wat opvalt is dat veel van die participatie dan ook (direct of indirect) wordt gedefinieerd als bijdrage aan beleidsprocessen of -doelen van de gemeente. De burger als nuttig hulpmiddel bij het bedenken en uitvoeren van beleid. Wij zorgen voor de afvalinzameling, als u die container in de gaten wilt houden en de buurman aanspreekt die er een vuilniszak naast gooit. Wij subsidiëren kunst en cultuur, als u zelf de bardienst draait in het wijktheater.

Het risico is dat participatie een sterk instrumenteel karakter krijgt en alleen welkom is wanneer in het in het straatje van de overheid past. Liever de coöperatieve, meedenkende burger dan de kritische, dwarsliggende burger. Participatie blijft dan iets van deelnemen aan een spel dat door een ander voor jou is bedacht, met de bijbehorende spelregels.

Interessanter en spannender zijn de initiatieven die inwoners zelf ontwikkelen, zonder op de overheid te wachten of de overheid nodig te hebben. Samen zonnepanelen op de daken leggen, kleine klussen voor elkaar doen, een groenstrook of park onderhouden. Eerder kan daar een inflexibele of regelgedreven overheid in de weg zitten. Juist het willen vatten in algemene regels en procedures kan de innovatie en creativiteit de kop indrukken.

Maar er is wel een dilemma, dat geldt voor zowel de participatie die door de overheid wordt georganiseerd als voor de initiatieven vanuit inwoners zelf. De diplomademocratie die we in de Tweede Kamer of de gemeenteraad zien en die we ook al kennen van diverse vormen van inspraak en interactieve beleidsvorming, steekt ook bij deze nieuwe vormen de kop op. Sommigen kunnen zich nu eenmaal beter organiseren, weten beter de weg te vinden in de wereld van regels en subsidies en zijn beter in staat anderen te mobiliseren en enthousiasmeren. Niet iedereen doet mee, niet elke stem en elk belang wordt gehoord.

Het is deze sociale ongelijkheid die volgens mij de ‘believers’ in mantra’s als eigen kracht, zelforganisatie, de samenleving voorop, aan het denken zou moeten zetten. Aan de ene kant is het prachtig om te zien hoeveel initiatieven ontstaan en hoeveel enthousiasme en betrokkenheid dat teweeg brengt. Maar aan de andere kant is het zorgwekkend dat dit zich beperkt tot een kleine groep die het in zoveel opzichten al goed voor elkaar heeft. Voor zover hier een taak voor overheid en politiek is weggelegd, zou het vooral zijn om aan deze ongelijkheid in uitgangssituatie een eind te maken.

Dit is een bewerkte versie van de inleiding die ik hield bij het slotdebat van de reeks ‘Op losse schroeven’ van het Studium Generale van de Universiteit Utrecht