Weblog

Laat duizend bloemen bloeien

Geplaatst door Harmen Binnema op 25 augustus 2014 / Geen reacties

Burgers aan zet. De samenleving voorop. Eigen kracht. Zelfredzaamheid. De doe-democratie. Participatiesamenleving. Aan termen om de nieuwe rol van burger en overheid te duiden geen gebrek. Aan goedbedoelde pogingen om dit concreet vorm te geven ook niet. Maar vaak verzandt het ook in die goede bedoelingen. Overheden vinden het verrassend moeilijk om los te laten en heel wat burgers zitten helemaal niet op extra taken te wachten. Tot zover weinig nieuws vermoed ik.

Een aantal maanden geleden raakte ik betrokken bij G1000, in de Nederlandse variant van wat onder meer Zomergast David van Reybrouck in 2011 in Vlaanderen opzette. Op basis van loting werd een groep mensen bij elkaar gezet om voorstellen te doen, waaruit zij vervolgens in dialoog met elkaar de belangrijkste en kansrijkste moesten selecteren. Dit voorjaar werd een vergelijkbare bijeenkomst gehouden in Amersfoort, vlak na de gemeenteraadsverkiezingen, met ruim 600 deelnemers en een hoop plannen die als het goed is een vervolg krijgen.

Die laatste zin verraadt misschien iets van mijn scepsis over dit soort initiatieven. Een bijzondere ervaring op de dag zelf, heel veel ambitie, energie, enthousiasme, maar wat blijft er de volgende dag over? De volgende week? De volgende maand? Dat is ook de reden voor een groep wetenschappers, onder wie Ank Michels en ik vanuit de Universiteit Utrecht, om naar de doorwerking te kijken van de G1000. Dit is namelijk een vorm van bewonersinitiatief (of welke bestuurskundige term je ook erop plakt) die, mits goed uitgevoerd en evaluerend en aanpassend onderweg, zou kunnen werken.

Met ‘werken’ bedoelen we dan: mensen zelf het initiatief geven, samenwerking met de politiek verbeteren, aansluiten bij bestaande (wijk)initiatieven, relevante thema’s agenderen. Kortom: burgerschap vergroten en de andere overheid vormgeven. Een mooie onderzoeksagenda om de komende twee jaar mee aan de slag te gaan. En wie weet positief verrast te worden.

  • Facebook
  • Twitter
  • Delicious
  • LinkedIn
  • StumbleUpon
  • Add to favorites
  • Email
  • RSS
 

Je moet het maar kunnen

Geplaatst door Harmen Binnema op 6 juli 2014 / Reageren uitgeschakeld

Na een blunder tegen Auxerre was het einde oefening voor Stanley Menzo en nam de tot dan onbekende Edwin van der Sar zijn plek in het doel van Ajax in. Het kostte hem heel wat tijd de ‘hearts and minds’ van het kritische publiek te winnen. Heel wat jaren later waren het de fouten van Kenneth Vermeer tegen o.a. PSV die hem zijn basisplek deden verliezen en sindsdien verdedigt Jasper Cillessen het Ajax-doel. Iets minder onbekend en veel sneller al door de supporters geaccepteerd.

Behalve de manier waarop ze basisspeler werden hebben Cillessen en Van der Sar nog meer gemeen, zeker als je kijkt naar het begin van hun carrière. Beiden maken een wat verlegen, bescheiden indruk, je zult hen niet snel hun verdedigers de huid zien vol schelden. En net als Van der Sar in zijn beginjaren is Cillessen geen penaltykiller. Tegen Spanje en Australië had ik niet het gevoel dat hij zou redden, dat heb ik hem bij Ajax ook nog niet overtuigend zien doen. Maar net zoals Van der Sar op latere leeftijd beslissend werd door een penalty te stoppen en Manchester United daarmee de Champions League te bezorgen, verwacht ik dat Cillessen ook zo’n rol kan gaan spelen. Qua clean sheets begint hij al aardig op Van der Sar te lijken. Maar hij is ook kritisch genoeg op zichzelf om te weten dat hij nog niet zo ver is.

Voor mij was Cillessen daarom de held van gisterenavond. Als op en top prof boos dat hij werd gewisseld in de laatste seconden van de verlenging (waarvoor hij zelfs al zijn excuus heeft aangeboden, dat had niet gehoeven hoor…), maar binnen een paar minuten al had hij de knop omgezet en stond hij zijn medespelers fanatiek aan te moedigen aan de zijlijn. Je moet het maar kunnen. De reactie na de tweede redding van Krul en de rush over het veld die hij daarna maakte spraken boekdelen. Omdat hij oprecht blij was voor Krul en tegelijk wist: mijn tijd komt nog wel. Wie weet al in de (halve) finale.

  • Facebook
  • Twitter
  • Delicious
  • LinkedIn
  • StumbleUpon
  • Add to favorites
  • Email
  • RSS
 

Als dat maar goed gaat

Geplaatst door Harmen Binnema op 25 juni 2014 / Reageren uitgeschakeld

Leg de verantwoordelijkheid zo laag mogelijk en organiseer alleen centraal wat centraal geregeld moet worden. Zowel in de ruimtelijke ordening als in het sociale domein is dit idee de laatste jaren dominant geworden. Het herinnert aan het begrip subsidiariteit dat in de Europese Unie sinds de jaren ’90 van de vorige eeuw veel wordt gebruikt. De aanstaande decentralisaties van de Wmo, jeugdzorg en Participatiewet, in politiek-ambtelijk jargon de 3D, passen helemaal in dit plaatje.

Wat ook past in het beeld van de decentralisaties van de laatste decennia is dat een heldere visie waarom juist deze taken juist nu gedecentraliseerd moeten worden ontbreekt en dat tot op het laatst onduidelijkheid blijft bestaan over het precieze budget dat beschikbaar zal zijn. De enige zekerheid is dat het minder zal zijn dan voorheen. Bij de decentralisaties in het sociale domein geldt dat nog sterker: de problemen zijn ‘wicked’ en de maatschappelijke omgeving is complex. Zowel in het huidige systeem als in het nieuwe zijn fouten en incidenten onvermijdelijk.

De argumenten die voor decentralisatie worden aangehaald zijn samen te vatten als: dichter bij burgers, meer maatwerk, integraler en efficiënter. De veronderstelling is dat de gemeente haar inwoners beter kent dan op afstand staande uitvoeringsorganisaties en zo ook beter op de specifieke wensen en behoeften van burgers kan inspelen. Door verschillende regelingen bij elkaar te brengen binnen één bestuurslaag kan beleid beter worden afgestemd, wordt afwenteling of overlap voorkomen en daarmee zou het meer value for money bieden. De effecten van decentralisatie zouden bovendien zijn dat burgers meer betrokken raken en de kwaliteit van beleid toeneemt. Het interessante is dat er in het bestuurskundig onderzoek, zowel in Nederland als in Europees vergelijkend perspectief, amper empirische ondersteuning voor deze gedachten is te vinden. Tegelijk spelen ze in de politieke discussie een grote rol als rechtvaardiging voor decentralisatie.

Wanneer we als criterium hanteren dat lokale overheden met de nieuwe taken en bevoegdheden redelijk uit de voeten kunnen en er geen al te grote ongelukken gebeuren, kunnen we zeggen dat de decentralisaties tot op heden zijn geslaagd. Vanuit dit perspectief mag er het nodige optimisme zijn dat het ook voor de drie decentralisaties op zal gaan. De politieke logica leert bovendien dat hoewel er nog heel wat rafelrandjes zijn en grensconflicten op de loer liggen, de datum van 1 januari 2015 behoorlijk onwrikbaar is geworden en gemeenten alles in het werk zullen stellen die deadline te halen.

Uitstel is geen optie meer. Of dat verstandig is, kun je je afvragen, maar aan de andere kant leert de ervaring dat decentralisatie altijd gaat met vallen en opstaan. Dat lijkt me een nuance om in gedachten te houden voor een ieder die de komende maanden kritisch gaat kijken hoe de gemeenten het er met het nieuwe geld en het nieuwe beleid vanaf gaan brengen.

(gebaseerd op de inleiding gehouden bij de bijeenkomst van het Expertisecentrum Journalistiek over de toekomst van het lokaal bestuur op 24 juni jl.)

  • Facebook
  • Twitter
  • Delicious
  • LinkedIn
  • StumbleUpon
  • Add to favorites
  • Email
  • RSS
 

Wat de toekomst brengen moge

Geplaatst door Harmen Binnema op 16 juni 2014 / Reageren uitgeschakeld

Zelfs Den Helder lijkt een nieuw college te hebben, het wachten is nu dus nog op de echte hekkensluiter Zutphen. Wie sommige collegeprogramma’s leest, vraagt zich in gemoede af waarom het zo lang heeft geduurd om een dergelijke verzameling algemeenheden aan het papier toe te vertrouwen. Ook de komende vier jaar zal er weer veel gestreefd, gestimuleerd en gesteund worden, om er maar vooral niet op afgerekend te kunnen worden. Er wordt veel bestaand beleid voortgezet, wat gezien de smalle marges van de gemeentelijke politiek ook niet zo vreemd is. Net als in de aanloop naar de verkiezingen, ontbreekt in veel akkoorden een duidelijke visie op de grote klus die de gemeenten straks te wachten staan: de drie decentralisaties. De financiële onderbouwing is matig en soms zelfs afwezig.

Tot zo ver weinig nieuws onder de zon. Verrassender vind ik dat velen toch nog verbaasd en soms zelfs verontwaardigd zijn dat die collegeprogramma’s zo weinig voorstellen. De een krijgt dit een beetje, de ander dat. Over zinnen waar de buitenstaander geen kwaad in kan ontdekken, is tot diep in de nacht gestreden. Wie had gehoopt dat met de winst van D66 een andere wind zou gaan waaien, komt bedrogen uit. Bestaande politieke en bestuursculturen zijn hardnekkig en met de toegenomen electorale fragmentatie is de vlucht in onherkenbare compromisteksten des te aantrekkelijker.

Het goede nieuws is dat dit voor de komende vier jaar weinig zal uitmaken. De toekomst is onvoorspelbaar als altijd en over veel van de uitdagingen die colleges en raden tegemoet gaan zien, staat geen letter in het collegeakkoord. Andersom blijkt dat de aanvankelijk in steen gehouwen teksten na verloop van tijd steeds meer ruimte voor interpretatie en flexibiliteit overlaten. Dat is maar goed ook, want we zouden die programma’s eens echt serieus gaan nemen… daar moet je toch niet aan denken.

  • Facebook
  • Twitter
  • Delicious
  • LinkedIn
  • StumbleUpon
  • Add to favorites
  • Email
  • RSS
 

Passie voor de publieke zaak

Geplaatst door Harmen Binnema op 16 juni 2014 / Reageren uitgeschakeld

Lokaal bestuur vraagt om betrokken onderzoekers, zo bepleit ik in een bijdrage aan de bundel Passie voor de publieke zaak, samengesteld door Marieke van Genugten, Marlies Honingh en Willem Trommel:

“Voor mij blijkt passie voor de publieke zaak uit een grotere betrokkenheid van de wetenschapper bij wat er gebeurt met de resultaten van zijn of haar onderzoek. Dat is een pleidooi dat zich nadrukkelijk niet beperkt tot degenen die zich met praktijkonderzoek, beleidsadvies of interventies bezighouden, maar juist ook geldt voor het fundamentele onderzoek. Ik zou het willen omschrijven als een combinatie van enerzijds monitoren van wat zich afspeelt in de bestuurlijke praktijk en anderzijds actief meedoen aan het politieke en maatschappelijke debat. In beide gevallen in een houding als kritisch beschouwer, die zich niet laat verleiden onderdeel van het spel te worden.”

Het boek is te bestellen bij uitgeverij Boom Lemma, lees ook deze recensie in Openbaar Bestuur.

  • Facebook
  • Twitter
  • Delicious
  • LinkedIn
  • StumbleUpon
  • Add to favorites
  • Email
  • RSS
 

Dat is een hele spannende

Geplaatst door Harmen Binnema op 12 december 2013 / Reageren uitgeschakeld

Ongetwijfeld heb ik me er zelf, ondanks alle goede voornemens,  zelf ook schuldig aan gemaakt toen ik politiek actief was. Of doe ik nu het nog steeds, in vergaderingen van de opleidingscommissie of de faculteitsraad. Het bezigen (ook al zo’n woord…) van bestuurderstaal. Het is niet voor niets dat een speciaal hieraan gewijd twitteracount @Bobotaal (De Wethouder) zo populair is. Ik heb de afgelopen weken heel wat pareltjes voorbij zien komen:

Het kader voor wat betreft het pluspakket biedt een belangrijke richting aan het implementatievoorstel.

De uitdaging is om op basis van concrete plannen de aanjaagfase concreet te maken.

We hebben nog geen oplossing, maar al wel een aanvliegbenadering.

Nu ik regelmatig vanuit mijn werk in kringen van bestuurders en ambtenaren verkeer, begint mij een andere uitdrukking op te vallen. Pas na een paar keer werd mij duidelijk wat ermee wordt bedoeld. Het is meestal een reactie op een vraag naar risico’s, beren op de weg, mogelijke vertraging of andere serieuze problemen.

Dat is een hele spannende.

Eerst dacht ik dat de spreker wilde zeggen dat het kantjeboord zou worden, dat hij ook niet zeker wist of het zou gaan lukken, dat we dat nog in spanning gaan afwachten. Maar eigenlijk betekent spannend gewoon: vergeet het maar, onhaalbaar, gaat ‘m niet worden. Bovendien: de vragensteller heeft dat meestal zelf ook wel door.

  • Facebook
  • Twitter
  • Delicious
  • LinkedIn
  • StumbleUpon
  • Add to favorites
  • Email
  • RSS
 

Afscheid van een eigenwijze donder

Geplaatst door Harmen Binnema op 12 augustus 2013 / 3 reacties

De eerste kennismaking met Albert was in het voorjaar van 2003, toen we op een flink warme zaterdag met de nieuwe fractie in Hilversum bij elkaar kwamen. Hoe hij daar precies kwam, is mij na al die jaren nog steeds niet helemaal duidelijk. Deze kleine, wat gezette man met rond brilletje en baard, houthakkershemd, type welzijnswerker, bleek de burgemeester van Oostzaan te zijn en hij zou ons gaan helpen om de inzet voor de onderhandelingen te bepalen. Al na een uur was het alsof het nooit anders was geweest: met een paar stiften, een flipover en een grote dosis enthousiasme en humor leidde Albert ons bekwaam door de dag en hielp hij ons aan een stevige wensenlijst én strategie om die te realiseren.

Het resultaat mag bekend zijn: dat college met GroenLinks, D66, CDA en VVD kwam er en wie anders dan Albert ging ons als gedeputeerde daarin vertegenwoordigen. Al snel viel op hoe goed Albert het kon vinden met één van de VVD-gedeputeerden, Cornelis Mooij. Ze waren als Snip en Snap, Knabbel en Babbel, Jut en Jul, Statler en Waldorf: onderling grappend als schooljongens achter in de klas, maar soms ook kijvend als een langgetrouwd stel. Waar Cornelis voor vrijwel alle afspraken van OV en fiets gebruikmaakte, werd Albert een enthousiast gebruiker van de dienstauto. De sfeer in dat college was bijzonder en Albert speelde daarin een hele belangrijke rol.

Mede door het prima werk van Albert kwamen we vier jaar later weer in het college, waarbij de PvdA de plek van D66 innam. Als kersverse fractievoorzitter had ik wel het nodige met Albert te stellen. Toen we in 2007 gingen onderhandelen, kreeg ik een briefje van hem mee met daarop een aantal miljoenen die hij graag geregeld wilde zien voor beheer en onderhoud van natuur. De bedragen liepen op van 2 miljoen in het eerste jaar tot 8 miljoen in het laatste jaar. Toen ik aan de onderhandelingstafel het antwoord schuldig moest blijven waar dat geld precies aan besteed zou worden, besloten we Albert maar eens te bellen. Die wist het ook niet, maar het leek hem zo’n mooie reeks van 2-4-6-8 en de rest snapte toch ook wel dat GroenLinks graag geld voor leuke groene dingen wilde?

In de overleggen die ik daarna met hem had, bij voorkeur met stamppot en een biertje op tafel, kon hij vaak vol trots vertellen over afspraken die hij in het college had gemaakt. Regelmatig dacht ik vooral: hoe heb je dit kunnen bedenken? En niet onbelangrijk: hoe leg ik dit aan de fractie uit? Terwijl Albert ervan overtuigd was dat hij GroenLinks echt een dienst had bewezen. Andersom hadden wij soms ook wensen – Noordboog, Westelijk Tuinbouwgebied – waar Albert helemaal niets in zag. Hij bleef dan stug volhouden, waar hij op andere punten vaak veel flexibeler en toegeeflijker kon zijn. In die zin was Albert een echte bestuurder, die in het belang van het college dacht en die er soms even aan herinnerd moest worden dat hij ook nog van GroenLinks was.

In zijn vrije tijd speurde Albert doopregisters, gemeentelijke archieven en internet af om familiegeschiedenissen te reconstrueren. Zo bracht hij, op basis van de grootouders van moeders- en vaderskant, voor alle collega-gedeputeerden hun kwartierstaten in beeld. Bij toeval kwamen we erachter dat we gezamenlijke voorouders hebben: ergens halverwege de 19e eeuw gaan de lijnen uit elkaar – bij Albert via de vrouwelijke, bij mij via de mannelijke lijn. Sindsdien kreeg ik regelmatig mailtjes met ‘Beste achterneef’ in de aanhef. Nog meer verwantschap dus dan onze band met Friesland en het domineeszoon zijn.

Alberts afscheid van de provincie was onverwacht en de nasleep met Darwind en Econcern ongemakkelijk. Van kwade opzet was volgens mij zeker geen sprake, wel van  onhandigheid en slordigheid. Albert mocht graag dingen regelen – de “briefjes” die wel eens bleven slingeren en soms maanden later plotseling boven tafel kwamen, zijn berucht – en lette niet altijd zo goed op de formele procedures. Laat mij het nou maar op mijn manier doen… En dan kwam het eigenlijk altijd voor elkaar.

Vorig jaar zomer werd duidelijk dat Albert ernstig ziek was en dat de behandeling er vooral op gericht zou zijn de situatie draaglijk te maken en de pijn te verlichten. Via mail hield hij de buitenwacht op de hoogte en dat deed hij met onverbeterlijk optimisme, telkens de lichtpuntjes en positieve signalen benadrukkend. “Leven met kanker is een vak apart; ik leer dagelijks” schreef hij in de laatste van die mails, eind juni. Aan dat leven is nu, oneerlijk vroeg, een einde gekomen. Eigenwijze donder, ik ga je missen!

Albert Moens 1952-2013

  • Facebook
  • Twitter
  • Delicious
  • LinkedIn
  • StumbleUpon
  • Add to favorites
  • Email
  • RSS
 
1 van 10712345678910...Laatste