Weblog

Dat is een hele spannende

Geplaatst door Harmen Binnema op 12 december 2013 / Reageren uitgeschakeld

Ongetwijfeld heb ik me er zelf, ondanks alle goede voornemens,  zelf ook schuldig aan gemaakt toen ik politiek actief was. Of doe ik nu het nog steeds, in vergaderingen van de opleidingscommissie of de faculteitsraad. Het bezigen (ook al zo’n woord…) van bestuurderstaal. Het is niet voor niets dat een speciaal hieraan gewijd twitteracount @Bobotaal (De Wethouder) zo populair is. Ik heb de afgelopen weken heel wat pareltjes voorbij zien komen:

Het kader voor wat betreft het pluspakket biedt een belangrijke richting aan het implementatievoorstel.

De uitdaging is om op basis van concrete plannen de aanjaagfase concreet te maken.

We hebben nog geen oplossing, maar al wel een aanvliegbenadering.

Nu ik regelmatig vanuit mijn werk in kringen van bestuurders en ambtenaren verkeer, begint mij een andere uitdrukking op te vallen. Pas na een paar keer werd mij duidelijk wat ermee wordt bedoeld. Het is meestal een reactie op een vraag naar risico’s, beren op de weg, mogelijke vertraging of andere serieuze problemen.

Dat is een hele spannende.

Eerst dacht ik dat de spreker wilde zeggen dat het kantjeboord zou worden, dat hij ook niet zeker wist of het zou gaan lukken, dat we dat nog in spanning gaan afwachten. Maar eigenlijk betekent spannend gewoon: vergeet het maar, onhaalbaar, gaat ‘m niet worden. Bovendien: de vragensteller heeft dat meestal zelf ook wel door.

 

Afscheid van een eigenwijze donder

Geplaatst door Harmen Binnema op 12 augustus 2013 / 3 reacties

De eerste kennismaking met Albert was in het voorjaar van 2003, toen we op een flink warme zaterdag met de nieuwe fractie in Hilversum bij elkaar kwamen. Hoe hij daar precies kwam, is mij na al die jaren nog steeds niet helemaal duidelijk. Deze kleine, wat gezette man met rond brilletje en baard, houthakkershemd, type welzijnswerker, bleek de burgemeester van Oostzaan te zijn en hij zou ons gaan helpen om de inzet voor de onderhandelingen te bepalen. Al na een uur was het alsof het nooit anders was geweest: met een paar stiften, een flipover en een grote dosis enthousiasme en humor leidde Albert ons bekwaam door de dag en hielp hij ons aan een stevige wensenlijst én strategie om die te realiseren.

Het resultaat mag bekend zijn: dat college met GroenLinks, D66, CDA en VVD kwam er en wie anders dan Albert ging ons als gedeputeerde daarin vertegenwoordigen. Al snel viel op hoe goed Albert het kon vinden met één van de VVD-gedeputeerden, Cornelis Mooij. Ze waren als Snip en Snap, Knabbel en Babbel, Jut en Jul, Statler en Waldorf: onderling grappend als schooljongens achter in de klas, maar soms ook kijvend als een langgetrouwd stel. Waar Cornelis voor vrijwel alle afspraken van OV en fiets gebruikmaakte, werd Albert een enthousiast gebruiker van de dienstauto. De sfeer in dat college was bijzonder en Albert speelde daarin een hele belangrijke rol.

Mede door het prima werk van Albert kwamen we vier jaar later weer in het college, waarbij de PvdA de plek van D66 innam. Als kersverse fractievoorzitter had ik wel het nodige met Albert te stellen. Toen we in 2007 gingen onderhandelen, kreeg ik een briefje van hem mee met daarop een aantal miljoenen die hij graag geregeld wilde zien voor beheer en onderhoud van natuur. De bedragen liepen op van 2 miljoen in het eerste jaar tot 8 miljoen in het laatste jaar. Toen ik aan de onderhandelingstafel het antwoord schuldig moest blijven waar dat geld precies aan besteed zou worden, besloten we Albert maar eens te bellen. Die wist het ook niet, maar het leek hem zo’n mooie reeks van 2-4-6-8 en de rest snapte toch ook wel dat GroenLinks graag geld voor leuke groene dingen wilde?

In de overleggen die ik daarna met hem had, bij voorkeur met stamppot en een biertje op tafel, kon hij vaak vol trots vertellen over afspraken die hij in het college had gemaakt. Regelmatig dacht ik vooral: hoe heb je dit kunnen bedenken? En niet onbelangrijk: hoe leg ik dit aan de fractie uit? Terwijl Albert ervan overtuigd was dat hij GroenLinks echt een dienst had bewezen. Andersom hadden wij soms ook wensen – Noordboog, Westelijk Tuinbouwgebied – waar Albert helemaal niets in zag. Hij bleef dan stug volhouden, waar hij op andere punten vaak veel flexibeler en toegeeflijker kon zijn. In die zin was Albert een echte bestuurder, die in het belang van het college dacht en die er soms even aan herinnerd moest worden dat hij ook nog van GroenLinks was.

In zijn vrije tijd speurde Albert doopregisters, gemeentelijke archieven en internet af om familiegeschiedenissen te reconstrueren. Zo bracht hij, op basis van de grootouders van moeders- en vaderskant, voor alle collega-gedeputeerden hun kwartierstaten in beeld. Bij toeval kwamen we erachter dat we gezamenlijke voorouders hebben: ergens halverwege de 19e eeuw gaan de lijnen uit elkaar – bij Albert via de vrouwelijke, bij mij via de mannelijke lijn. Sindsdien kreeg ik regelmatig mailtjes met ‘Beste achterneef’ in de aanhef. Nog meer verwantschap dus dan onze band met Friesland en het domineeszoon zijn.

Alberts afscheid van de provincie was onverwacht en de nasleep met Darwind en Econcern ongemakkelijk. Van kwade opzet was volgens mij zeker geen sprake, wel van  onhandigheid en slordigheid. Albert mocht graag dingen regelen – de “briefjes” die wel eens bleven slingeren en soms maanden later plotseling boven tafel kwamen, zijn berucht – en lette niet altijd zo goed op de formele procedures. Laat mij het nou maar op mijn manier doen… En dan kwam het eigenlijk altijd voor elkaar.

Vorig jaar zomer werd duidelijk dat Albert ernstig ziek was en dat de behandeling er vooral op gericht zou zijn de situatie draaglijk te maken en de pijn te verlichten. Via mail hield hij de buitenwacht op de hoogte en dat deed hij met onverbeterlijk optimisme, telkens de lichtpuntjes en positieve signalen benadrukkend. “Leven met kanker is een vak apart; ik leer dagelijks” schreef hij in de laatste van die mails, eind juni. Aan dat leven is nu, oneerlijk vroeg, een einde gekomen. Eigenwijze donder, ik ga je missen!

Albert Moens 1952-2013

 

Het is niet allemaal de schuld van de ambtenaren

Geplaatst door Harmen Binnema op 7 februari 2013 / Reageren uitgeschakeld

Therapeuten weten: als iets één keer gebeurt, is het een incident. Als hetzelfde voorval zich twee keer voordoet, is dat toevallig. Maar bij de derde keer kun je spreken van een patroon. Vorige week vond het Kamerdebat met staatssecretaris Mansveld over het NS-rapport plaats. Ambtenaren van Mansveld werden uit politiek opportunisme publiekelijk aan de schandpaal genageld. Een bewindspersoon die zich verschuilt achter ambtenaren is niet sjiek. Maar laten we ook niet voorbij gaan aan het incident zelf en ons afvragen of het wel een incident is: de staatssecretaris die niet geïnformeerd werd door haar ambtenaren. Dat was niet voor het eerst, en het zal ook niet voor het laatst zijn. Er is sprake van een patroon.

Betekent dit nu dat deze ambtenaren hun werk niet goed hebben gedaan? Dat is nog maar de vraag. Wie zeker z’n werk niet goed doet, is de ambtenaar die zijn minister over alles inlicht. In ieder geval lijkt het voor ambtenaren steeds lastiger in te schatten wanneer hun dossier een ‘politiek feit’ wordt. Hoe komt dat?

De wereld van de ambtenarij en die van de politiek drijven steeds verder uit elkaar. En dat heeft funeste gevolgen. Niet alleen in Den Haag, maar ook bij gemeenten en provincies zien wij deze ontwikkeling. De wereld van de ambtenaren is er een van dossierkennis, van steeds complexere inhoud en de lange termijn. De wereld van de politici wordt er steeds meer een van emotie, intuïtie en snel scoren. Het politieke spel lijkt minder en minder om de inhoud te gaan. In de ene wereld heerst ‘de waarheid’, (alsof die door ambtenaren objectief vast te stellen is), in de andere heerst ‘truthiness’, waarin iedere politicus zijn eigen waarheid heeft, die hij vanuit zijn onderbuik voelt, zonder te veel acht te slaan op logica, bewijzen, feiten en onderzoeken.

Hoe meer politici zich in debatten afzetten tegen hun ambtelijk apparaat, om zich het vege lijf te redden, hoe meer de werelden uit elkaar zullen drijven. En zo wordt het steeds lastiger als ambtenaar te bepalen wanneer je bepaalde informatie aan de bewindspersoon moet geven, of in dit geval: op bepaalde verstrekte informatie opnieuw de aandacht moet vestigen.

Het besef dat je vanuit een verschillende expertise en verantwoordelijkheid moet samenwerken, van de tekentafel via de volksvertegenwoordiging naar de buitenwereld,  is aan het verdwijnen. Er komt cynisme voor in de plaats. Ze zijn het zelf bijna vergeten, maar ambtenaren en politici hebben veel overeenkomsten. Niet in de laatste plaats hun motivatie: beiden werken keihard voor welzijn en welvaart van dit land, alle vooroordelen die veel Nederlanders tegen beide groepen koesteren ten spijt. Geconfronteerd worden met zulke vooroordelen is trouwens een andere overeenkomst tussen  politici en ambtenaren.

Traditiegetrouw  schieten politici en ambtenaren na een incident als vorige week donderdag in een kramp en weten elkaar nog slechter te vinden dan voorheen. Tussen Mansveld en haar ambtenaren zal het niet meer goedkomen. Daarvoor was de publieke schrobbering te groot en de verontwaardiging op het ministerie te diep. Dat is vooral funest voor het uiterst belangrijke dossier over ons spoor. We kunnen ons niet veroorloven dat dit soort belangwekkende onderwerpen ten onder gaan in gekrakeel tussen twee werelden die elkaar niet begrijpen. Kom op ambtenaren en politici van Nederland: laat zien dat u daadwerkelijk investeert in het begrijpen van de “andere kant” en vindt elkaar vanuit de overtuiging dat de grote kwesties in de samenleving alleen in innige samenhang kunnen worden opgelost.

Dit artikel van Marike Simons en mij verscheen op 6 februari in nrc.next . Samen met Simons Van de Wiel Versterking heeft het departement Bestuurs- en Organisatiewetenschap (UU) een opleiding politiek-bestuurlijke sensitiviteit ontwikkeld voor ambtenaren van gemeente, provincie of Rijk.

 

Een referendum over de EU

Geplaatst door Harmen Binnema op 23 januari 2013 / Reageren uitgeschakeld

Als de geruchten kloppen, zal David Cameron in zijn al eerder verwachte maar nu toch te komen speech een referendum over het Britse lidmaatschap van de EU aankondigen. Aan de ene kant is dit het zoveelste bewijs dat het Verenigd Koninkrijk zich definitief aan de marge van de EU heeft gemanoeuvreerd, aan de andere kant is het een politieke zet die vanuit democratisch oogpunt toe is te juichen. Lange tijd heeft het debat over de EU zich afgespeeld in een kleine kring en zijn veel betekenisvolle stappen gezet, zonder dat daarvoor om het benodigde draagvlak onder de bevolking is gevraagd. In sterke mate geldt dit ook voor de stappen die onder druk van de eurocrisis in de economische en financiële integratie van de afgelopen jaren zijn gezet. De bevolkingen van de andere 26 EU-lidstaten verdienen het zich op een vergelijkbare manier als de Britten uit te kunnen spreken.

Er is nog een flinke inhaalslag te maken, waarbij ik wel hoop dat het referendum uitstijgt boven een simpel voor of tegen de EU. Want het is hoog tijd dat we afkomen van het idee dat er zoiets is als ‘Europa’. Uiteindelijk is Europa een verzamelnaam voor een stelsel van afspraken, instellingen en beleidsterreinen. De grenzen zijn, zowel functioneel als territoriaal, fluïde en voortdurend in ontwikkeling. Europa is geen vastomlijnd begrip en kan voor iedereen een andere betekenis hebben. Over sommige aspecten kunnen burgers enthousiast zijn, over andere sceptisch. Over het type beleidsvragen waarmee ‘Europa’ zich wel en niet zou moeten bezighouden, is door de Unie heen een behoorlijke consensus. Daarbij is ook duidelijk dat de Europese Unie volgens burgers meer mag zijn dan alleen economie en handel. De terughoudendheid richt zich op verworvenheden van de verzorgingsstaat en verdere uitbreiding van de EU. Die nuance zou veel meer naar voren moeten komen in het publieke en politieke debat.

De kern zit in het beter benutten van de nationale parlementen en regeringen die ook nu al zo’n fundamenteel onderdeel uitmaken van het Europese project. Juist omdat de scheiding tussen nationaal en Europees steeds kunstmatiger aandoet, maar Europa tegelijk wel een nationale vertaling en inbedding vraagt. Dat betekent, ten eerste, het via nationale kanalen (aan)voeren van een realistisch inhoudelijk debat over de zin en onzin van Europese samenwerking en een visie op de toekomst van Europa. Ten tweede houdt het een opdracht in aan politieke partijen om invloed uit te oefenen op Europees beleid, maar vervolgens ook verantwoordelijkheid nemen voor de gemaakte afspraken. Ten derde is het een les in bescheidenheid waar het de eigen mogelijkheden betreft om beloften waar te maken, die gepaard gaat met ruimte voor de Europese instellingen om hun werk te doen.

De hoop op een Europawijd publiek debat moeten we zeker niet laten varen, maar om praktische en democratische redenen is er veel voor te zeggen het debat allereerst nationaal te organiseren en politici in dat forum tot verantwoording en verantwoordelijkheid te dwingen. Mocht zo’n debat zich ontwikkelen, dan heb ik er wel vertrouwen in dat de Britten zich in meerderheid voor het EU-lidmaatschap zullen uitspreken.

Ten dele geïnspireerd door en geput uit een bijdrage die ik schreef voor de bundel Europa, burgerschap en democratie

 

Identiteit

Geplaatst door Harmen Binnema op 26 augustus 2012 / Reageren uitgeschakeld

Wanneer Obama door zijn tegenstander een socialist wordt genoemd, moet ik altijd erg lachen. Maar om nu zelf door de premier, oh pardon de VVD-lijsttrekker, voor socialist te worden uitgemaakt, daar word ik dan minder blij van. Wij socialisten van GroenLinks, PvdA en SP zouden de rekening doorschuiven naar de toekomst en zorgen dat mensen later, maar dan heviger pijn gaan voelen. Rutte de lijsttrekker is even vergeten dat zijn kabinet als kampioen doorschuiven maar al te blij was dat GroenLinks met het Lenteakkoord in elk geval nog probeerde te redden wat er te redden viel voor de begroting van 2013.

Maar los daarvan: ik dacht we al meer dan twintig jaar geleden van het socialisme afscheid hadden genomen. Het klonk bijna als koude oorlogretoriek: het gevaar van de roden, de Russen komen. In al die tijd dat ik lid van GroenLinks ben en zeker in de periode dat ik actief was, heeft nog nooit iemand mij socialist genoemd. Wel liberaal, maar dan op een hele andere manier dan de conservatief-populistische onzin die de VVD tegenwoordig uitkraamt. Misschien moet ik het dan maar als geuzennaam gaan koesteren: ich bin ein socialist

Het was gisteren toch al een rare dag, want in de Arena werd ik door een nogal aangeschoten en benevelde medesupporter voor ‘kakkerlak’ (het scheldwoord voor Feyenoordsupporters) uitgemaakt. Omdat ik even een keer geen zin had om bij het commando ‘ga staan als je voor Ajax bent’ dommig omhoog te komen. Ik had zin om te roepen dat hij waarschijnlijk net uit de luiers was toen ik voor het eerst bij Ajax kwam, maar ik wist niet zeker of dat sfeerverhogend zou zijn…

Kortom, genoeg stof om over de vraag ‘wie ben ik’ nog eens goed na te denken. Heel toepasselijk nu ik met een onderzoek bezig ben naar de relatie tussen politiek en sociale media en de manier waarop politici hun identiteit via twitter vormgeven.  Wat laten zij van zichzelf zien, zijn zij online anders offline? Misschien wordt het tijd ook mijn eigen tweets eens in de analyse te gooien. Al weet ik zeker dat mijn passie en aandacht voor GroenLinks én Ajax in alle gevallen even groot zijn, wat anderen ook mogen zeggen.

 

Dichterbij mezelf VII: Lucebert

Geplaatst door Harmen Binnema op 8 augustus 2012 / 3 reacties

Liefde. Verliefdheid. En daar dan over dichten. Maar niet zo zoetig als candlelight. Misschien met ironie, maar wel oprecht. En geen overbekende poëzie, hoe prachtig die vaak ook is:

Wanneer ik morgen doodga
vertel dan aan de bomen
hoeveel ik van je hield

(Hans Andreus: Voor een dag van morgen)

o rep je mijn liefje
ik heb je zo graag
nu of nooit samen slapen
want we zijn er
alleen maar vandaag

(Judith Herzberg: Je zoenen zijn zoeter)

Zo’n dichter waar ik altijd echt even voor moet gaan zitten. De taal is overweldigend, blaast in mijn gezicht, schudt mijn hersens door elkaar. Drie, maximaal vier gedichten per keer. Telkens ontdek ik nieuwe dingen. Snap ik wat er staat? Dringt het echt door?

Als het over liefde gaat, scherp, heftig, raak, dan moet het Lucebert zijn:

X

zij draagt het licht van geluid
zij draagt het geluid van licht
het sluipt de oren uit
het sluit zich binnen de mond in

ze huppelt als een heldere trompet
ze applaudiseert als een schijnwerper
de radio scherpt haar ogen
de fotoos werpen een glimlach
de zomerdag zijn zandtaart
de winternacht zijn ijsbaan

zij gaat welsprekend in het licht staan
in een aria stralend
haar armen klimmen als ibishalsen
in een aria stralend
haar irisspiegels springen
in een aria stralend

uit: de amsterdamse school (1952)

 

Zakkenvullers en zakkenwassers

Geplaatst door Harmen Binnema op 6 augustus 2012 / 2 reacties

Het is lang geleden dat ik iemand het woord zakkenwasser hoorde gebruiken. Waarschijnlijk was ik het zelf en zei ik het ook tegen mezelf. Niets zo fijn als schelden op jezelf als je iets verkeerd doet, maar dan wel met een goeiig scheldwoord (mijn andere favoriet is ‘sukkelhoofd’). Ik heb overigens begrepen dat zakkenwasser een klassiek beroep is en verwijst naar het schoonmaken van juten zakken.

Voor zover ik kon nagaan, is zakkenvuller nooit een beroep geweest en is het bovendien altijd al een scheldwoord geweest. Soms voor de zekerheid nog voorafgegaan door ‘vieze’ of ‘vuile’ danwel een combinatie van deze twee.

Op zich is er niks mis mee om je zakken te vullen (er moet immers ook brood op de plank) en in de tijd voor bank en giro werden aan het eind van de week de loonzakjes gevuld en uitgedeeld. Geld dat nog wel eens werd stukgeslagen in de kroeg, voordat de kostwinner het bij moeder de vrouw had kunnen afgeven. Vandaag de dag gaat het echter meestal om mensen van wie wordt gezegd dat zij hun zakken vullen ten koste van anderen of dat zij in vergelijking met hun prestatie nogal fors worden beloond.

Voetballers en politici zijn de bekendste voorbeelden van zakkenvullers en zij hebben recent gezelschap gekregen van bankiers en andere handelaars in onbegrijpelijke producten. De PVV heeft in het kader van de bredere campagne tegen de EU een website geopend om tegen de zakkenvullers in Brussel te protesteren. (Tot mijn verrassing hoor ik nu ook tot de ondertekenaars van deze oproep, omdat een klik uit nieuwsgierigheid al meteen een steunbetuiging bleek te zijn. Handig, ergens aan meedoen waar je niet eens een mailadres, naam of woonplaats voor hoeft achter te laten.)

Maar wanneer verdien je nou ‘schandalig’ veel en wanneer gaat jouw euro ten koste van de euro van een ander. Wat is een redelijk en aanvaardbaar uurloon en wat is te veel? Ik merk dat ik steeds meer moeite krijg met het gemopper en gescheld op zakkenvullers. Jezelf een miljoenenbonus (laten) toekennen, terwijl intussen honderden mensen op straat worden gezet, dat kan natuurlijk niet. En je maakt mij niet wijs dat Eto’o van dat idiote salaris bij Anzhi echt tien keer beter gaat spelen dan bij wijze van spreken Ron Vlaar.

Tegelijk is het wel erg makkelijk om mensen, zeker zij die zich in hun positie moeilijk kunnen verdedigen, uit te maken voor zakkenvuller. Want wat kunnen zij eraan doen? En hoe weten al die boze tongen zo goed dat iemand er niet hard (genoeg) voor werkt? Wie het een beetje opneemt voor de vermeende zakkenvuller – zeker als hij of zij het zelf is – wordt weggehoond. Er wordt vaak snel en hard geoordeeld. De populistische reflex is sterk en voor nuance lijkt geen plek.

Dan ben ik toch maar liever een zakkenwasser op z’n tijd.

 
1 van 10612345678910...Laatste