Weblog

Compassie

Geplaatst door Harmen Binnema op 19 januari 2012 / Geen reacties

In spanning wachten velen binnen, maar zeker ook buiten het CDA, op de uitkomsten van het Strategisch Beraad. Eén groep maakt zich alvast zorgen en wel over het begrip ‘compassie’ dat door Jacobine Geel (net als partijvoorzitter Ruth Peetoom een theologe) centraal gesteld zou worden. Opvallend genoeg pleitte voorzitter Ruard Ganzevoort bij het jubileum van de Linker Wang ook al voor politiek met compassie als nieuw uitgangspunt voor linkse door het geloof geïnspireerde politiek. Ik hoef er niet bij te vertellen dat hij eveneens theoloog is. Ik moet er wel bij zeggen dat ik toen enige aarzelingen had, al was het maar vanwege het feit dat Bush jr. zich in de presidentiële race van 2000 als ‘ compassionate conservative’  presenteerde. Een ideologie waarin de overheid zich zoveel mogelijk terugtrekt, maar in alle hardheid nog een klein zacht randje heeft.

De angst van het groepje CDA’ers was dat compassie te veel de nadruk zou leggen op afhankelijke en zielige mensen, terwijl het CDA onder Balkenende al die jaren toch ‘eigen verantwoordelijkheid’ had gepredikt. De redenering klonk ongeveer zo: wie het heeft over compassie, kan geen PGB meer afschaffen of Mauro terugsturen naar Angola. Best wel lastig voor de twee CDA-bewindslieden die deze twee pittige dossiers onder hun hoede hebben. Compassie was volgens deze leden prima als levenshouding, maar niet als politiek richtsnoer. Een beetje zoals anderen zeggen dat religie prima is, zolang je dat maar thuis of in de kerk doet, maar er niet het publieke domein mee betreedt.

Om twee redenen vind ik de afwijzing van compassie merkwaardig. De eerste is dat het een uitgangspunt is en geen dwingend voorschrift. In concrete situaties zal compassie toegepast moeten worden en daarin kan een ieder zijn of haar individuele keuzes maken. In die zin is compassie niet anders dan solidariteit of rentmeesterschap: wat het betekent, volgt niet uit het begrip zelf, maar blijkt uit het feitelijke handelen van degenen die zich door deze uitgangspunten laten leiden. De tweede reden heeft te maken met de letterlijke manier waarop compassie vaak lijkt te worden uitgelegd: als medelijden, waarbij de associatie met hulpeloos en zielig al snel is gelegd. Eigenlijk is het – zeg ik als (achter)(achter)(klein)zoon van theologen – mooier en beter om over mededogen te spreken. Compassie ligt dan heel dicht bij naastenliefde, solidariteit, omzien naar de ander. Daarmee wordt de relatie ook gelijkwaardig en minder in simpele tegenstellingen als de slimmerd en de sukkel, de rijke en de arme, de geslaagde en de mislukte. Mededogen is meevoelen met de ander, je in hem of haar verplaatsen, je echt verbonden voelen.

Als dat compassie is, past het volgens mij prima in het gedachtegoed van GroenLinks én van het CDA. Wat zou het mooi zijn als compassie helpt om de gure rechtse wind uit het CDA weg te blazen. Wie weet staat dan onverwacht een nieuwe lente voor de deur.

 

Tot uw dienst

Geplaatst door Harmen Binnema op 15 januari 2012 / Geen reacties

Het was onmogelijk ongezien weg te lopen en ik begreep dat het hoe dan ook een rare indruk zou maken. Misschien dacht de dominee dat het aan de inhoud van zijn preek zou liggen. Maar ik moest van de zenuwen zo nodig, dat ik zeker wist dat ik niet lang meer kon blijven zitten en mijn blaas het niet de rest van de dienst zou uithouden. Oftewel: van mijn bank vooraan in de kerk zo gewoon mogelijk naar achter lopen, waar de wc’s zich bevonden. Inderdaad keek menig kerkganger vreemd op en ik voelde in mijn rug ook een verbaasde blik vanaf de preekstoel. Opgelucht kwam ik een paar minuten later weer voorzichtig naar voren.

Het was ook wel een beetje ambitieus, om als twaalfjarige – na krap een jaar orgelles – al kerkdiensten te willen begeleiden. Rustig aan beginnen in de middag, als er sowieso minder mensen in de kerk zitten. Het liefst wat bekende liederen met niet al te veel kruizen of mollen en afwisselend met en zonder pedaal. De zaterdag ervoor hard geoefend, vooral ook op de stukken voor en na de dienst en tijdens de collecte. Mijn zelfvertrouwen was groot en het ging, op wat slordigheidsfoutjes, eigenlijk prima. Maar op het moment van bezinning, voor een organist de langste pauze, voelde ik de spanning in hoog tempo naar hoofd en buik gaan.

Inmiddels ben ik twintig jaar verder en komen zenuwen eigenlijk niet meer voor. Af en toe is het zelfs oppassen om niet te veel op de automatische piloot te spelen, als het repertoire wel erg bekend is. Hoewel twintig eigenlijk geen jubileumgetal is, vond ik het toch leuk dat in de dienst vanochtend in De Ark bij deze mijlpaal stil werd gestaan. Met extra muzikale aankleding van orgel en piano, mede in samenwerking met Annika op diverse fluiten. Met aardige woorden en complimenten van dominee en kerkgangers na afloop.

Er zijn zondagen dat ik eigenlijk liever in bed zou willen blijven liggen en er zijn liederen waarvan ik hoop dat ik ze nooit meer hoef te spelen. Maar er is ook elke keer weer iets dat raakt, dat inspireert, dat het de moeite waard maakt om te blijven spelen. Dus ik ga graag nog even door: op naar de volgende twintig jaar?!

 

Dichterbij mezelf IV: Martinus Nijhoff

Geplaatst door Harmen Binnema op 18 december 2011 / Reageren uitgeschakeld

De schoonheid van de liefde, van het landschap, van de stilte en van de muziek. Maar ook het besef van de tijdelijkheid van zulk geluk. Prachtig samengevat in “Fuguette” van Martinus Nijhoff (uit de bundel Vormen):

Claudien, jij speelt piano, en ik zit
In de warande, en luister naar het zingen
Uit het innige hart der stille dingen,
En luister naar de stem der nacht die bidt -

Nu is mijn hart heel stil geworden: dit
Is het stil einde van het grote dringen.
De regens die tussen ons beiden hingen,
Claudien, zijn over en de nacht is wit.

Zachtheid, zachtheid is het woord van muziek:
Het is of je op een groene heuvel toeft,
Een fabel leest, of ziet een mozaïek -

En ‘t hart, ontvangend wat het hart behoeft,
Niet meer van pijn verbijsterd, niet meer ziek,
Vergeet – een glimlach lang – wat het bedroeft.

 

Mevrouw of meneer de voorzitter

Geplaatst door Harmen Binnema op 14 december 2011 / Reageren uitgeschakeld

Volgend jaar februari mogen we haar kiezen. Of hem. De nieuwe partijvoorzitter. Na bijna zes jaar Nijhof is het tijd voor een ander. Ik herinner mij de komst van de man met de wilde grijze haren (of hadden ze toen nog een andere kleur?) en dito snor nog goed. Kort daarvoor was mijn meest memorabele partijraad ooit, waar Sam Pormes wat halfslachtig eerherstel kreeg en Herman Meijer het veld moest ruimen. In deze woelige tijden zocht GroenLinks een interim-voorzitter die rust kon brengen en die werd in het oosten gevonden. De tijdelijke man bleek het wel naar zijn zin te hebben, stelde zich een jaar later opnieuw beschikbaar en werd met ruime meerderheid gekozen. Het partijleven kwam tot bloei, er werd veel gediscussieerd, de organisatie ging op de schop, maar op de cruciale momenten miste GroenLinks toch de boot. De doorbraak naar 15 zetels kwam niet en regeringsdeelname bleef uit.

Nu staat een nieuwe generatie te trappelen: Heleen Weening is 35 jaar, Arno Uijlenhoet 42. Alhoewel, trappelen… bij de presentatie die zij maandag hielden vond ik hun ideeën nogal voorspelbaar, een beetje old school. Wie is er nou tegen debat in de partij, het vergroten van de interne democratie, het betrekken van leden en het werken aan een (al dan niet linkse) progressieve samenwerking? Het vraagt heel wat speurwerk om inhoudelijke verschillen tussen de twee kandidaten te vinden. En over hoe ze dit alles willen bereiken, blijven Heleen en Arno nogal vaag.

Je zou natuurlijk kunnen zeggen dat het voor een functie als partijvoorzitter ook niet nodig is om al te uitgesproken opvattingen te hebben. Of dat er al genoeg te kiezen valt op basis van geslacht, leeftijd, (beroeps)achtergrond, (partij)ervaring en stijl. Maar ik hoop toch dat deze kandidaten in de komende tijd ook iets meer laten zien van wat ze vinden van de huidige koers van GroenLinks, welke inhoudelijke debatten ze willen gaan aanjagen. Iets van een analyse van hoe het komt dat we nog steeds niet meeregeren en waarom het zo matig gaat in de peilingen lijkt mij ook welkom.

Oh ja en een beetje vaker twitteren…

 

Leve de vrijwilligers

Geplaatst door Harmen Binnema op 2 december 2011 / Reageren uitgeschakeld

Het was even wennen om mezelf op een provinciale bijeenkomst niet als Statenlid GroenLinks voor te stellen, maar als penningmeester IVN Amsterdam. Op slot Beeckestijn in Velsen kwamen vanochtend zo’n 120 natuurvrijwilligers en provinciale ambtenaren bij elkaar om elkaar beter te leren kennen en na te denken over manieren om samen te werken.

Geen dag te laat, omdat het kabinet in de persoon van Henk Bleker, grof bezuinigt op de natuur en het verzet daartegen maar moeizaam op gang komt. Nou was dat niet de insteek van de bijeenkomst, maar kortingen tot 60% hebben natuurlijk (let op de woordspeling) wel een enorme impact. Waar professionele krachten wegvallen en subsidies voor aankoop en beheer flink minder worden, neemt het belang van al die duizenden vrijwilligers toe.

Af en toe moest ik me wel inhouden en niet in de verdediging te schieten over de rol van de provincie. Gelukkig hebben we daar bovendien prima ambtenaren voor. Maar sommige vrijwilligers lijken wel iets te veel te verwachten van de provincie. Er is nu eenmaal beduidend minder geld en daarnaast is het ondoenlijk om de enorme hoeveelheid van (werk)groepen, stichtingen en organisaties allemaal aandacht te geven en – al dan niet financieel – te ondersteunen.

De belangrijkste les voor mij vandaag was dat dat in heel veel gevallen ook niet nodig is. Met bewondering zag ik hoeveel moois er al lokaal gebeurt door mensen met passie en overtuiging, zonder dat daar altijd subsidie vanuit de overheid voor nodig is. Wat vooral moet gebeuren is dat die goede voorbeelden uitgewisseld worden, men van elkaar leert en losse initiatieven met elkaar worden verbonden. Voor IVN en andere koepelorganisaties in de provincie ligt daar nog een schone taak. Wie weet kan ik daar zelf ook nog een rol in spelen. Want natuur is best belangrijk!

 

Leve het stadsparlement?

Geplaatst door Harmen Binnema op 29 november 2011 / 5 reacties

Terwijl Donner onder invloed van het adagium “hoe minder bestuurders, hoe beter” bezig was de botte bijl in de stadsdelen te zetten, broedde GroenLinks Amsterdam op een alternatief. Vandaag kwam het initiatiefvoorstel voor een stadsparlement naar buiten, gemaakt in samenwerking tussen raadsfractie en stadsdeelwethouders.

Het is te prijzen dat GroenLinks op deze manier niet lijdzaam afwacht, maar de tegenaanval inzet. Er is veel voor te zeggen om een vorm van lokale democratie in de stadsdelen te handhaven en op die manier bestuur in de buurt voort te zetten. Het aantal politici wordt, net zoals het kabinet wil, flink teruggebracht.  Het voorstel voorkomt ook een gemeenteraad na 2014 die, nog meer dan nu al het geval is, alleen maar uit leden van binnen de ring bestaat.

Ik voorzie alleen wel een probleem als gevolg van de samenstelling en de manier van kiezen van de leden van de districtsraden en het stadsparlement. Omdat hetzelfde mensen zijn die in hun eigen district én op het stadsniveau besluiten nemen en controleren, is het conflict van loyaliteit en belangen in het systeem ingebakken. Dit hangt ook samen met de onmogelijkheid om tot een vaste afbakening van taken en bevoegdheden te komen.

Een tweede onduidelijkheid zit in de overgang naar de Metropoolregio Amsterdam. In het voorstel wordt gesteld dat met het stadsparlement de omschakeling naar zo’n model te maken is. Wanneer dat idee serieus wordt genomen, moet er een gekozen vertegenwoordiging in plaats van de Stadsregio komen, waarin ook de gemeenten om Amsterdam heen opgaan. Betekent dat vervolgens het einde van het stadsparlement? Houdt dat in dat de districtsraden dan alsnog op hetzelfde niveau komen als de gemeenteraden van bijvoorbeeld Amstelveen of Purmerend?

Kortom, een mooie voorzet voor een discussie die hoognodig gevoerd moet worden. Maar dan moet nog wel meer nagedacht worden over de verhouding tussen districtsraden en stadsparlement. Bovendien, zeg ik dan maar als provinciaal, wordt het ook tijd dat GroenLinks Amsterdam over de stadsgrenzen kijkt en in overleg treedt met de gemeenten in de omgeving.

 

Dichterbij mezelf III: Rutger Kopland

Geplaatst door Harmen Binnema op 20 november 2011 / Reageren uitgeschakeld

In een reeks die gaat over gedichten die mij raken, is het onvermijdelijk dat ik vroeg of laat bij Rutger Kopland uit kom. Ik denk dat er weinig andere dichters zijn die met hun woorden mij zo dicht op en onder de huid zitten. Tegelijk is het werk van Kopland ook in tekst en compositie uitdagend en ontdek ik herlezend telkens weer nieuwe kronkels en inzichten. Tijdens mijn politieke werk heb ik altijd veel gehad aan ‘ Oneindig veel problemen’:

Want alle gebeurtenissen zijn uitzonderingen op
al die regels volgens welke ze niet gebeuren.

Het is dus beter het woord probleem niet te gebruiken
want de problemen die er zijn en die er niet zijn
zijn dezelfde.

Van zijn vroegere werk spreekt Alles op de fiets, waaruit ‘Jonge sla’ waarschijnlijk het bekendste is geworden, mij het meeste aan. De mooiste bundel uit Koplands  grote oeuvre is wat mij betreft Tot het ons loslaat, waarin ook het bovenstaande gedicht staat en daarnaast kunststukjes als ’Een tuin in de avond’, ‘In de morgen’ en ‘Enkele andere overwegingen’.

Het gedicht dat ik heb uitgekozen komt uit de bundel Een lege plek om te blijven.  Ik kreeg het ooit voor mijn verjaardag gedrukt op een kussensloop;  ja, zo eenvoudig kan de aanleiding zijn. Sindsdien is het iets als een lijflied geworden. Het titelloze gedicht vat in vier eenvoudige regels samen wat ik hoop te zijn, voor een ander, voor mezelf:

XIV

Ga nu maar liggen, liefste, in de tuin,
de lege plekken in het hoge gras, ik heb
altijd gewild dat ik dat was, een lege
plek voor iemand, om te blijven.

Het is levensfilosofie en levenshouding in één. Het maakt mij blij in mooie tijden, het troost in moeilijke tijden. Het is fraai geschreven en fraai gecomponeerd. Het is, kortom, een gedicht waarvan ik hoop dat het nog lang bij me wil blijven.

 

Het overdragen van stemmen

Geplaatst door Harmen Binnema op 17 november 2011 / Reageren uitgeschakeld

In de politicologie woedt al jaren een flinke discussie over wat nu het beste kiesstelsel is. De centrale vraag is wat het belangrijkste doel is van verkiezingen: zorgen voor een stabiele meerderheid (regeerbaarheid) of een zo precies mogelijke afspiegeling van de voorkeuren van de stemmers (representatie). De meeste Europese landen hebben gekozen voor het laatste met kiesstelsels die zijn gebaseerd op een idee van evenredige vertegenwoordiging in plaats van het ‘first-past-the-post’ dat een deel van de Angelsaksische wereld kenmerkt. Een tussenvariant, die meer naar evenredige vertegenwoordiging neigt, is alternative vote of single transferable vote (hierna: STV). Dit systeem wordt bijvoorbeeld in Australië en Ierland gebruikt. In Engeland hebben de Lib-Dems ook alternative vote gepropageerd, maar dit werd door de bevolking in een referendum afgewezen.

In het voorstel voor een nieuwe manier om de GroenLinks kandidatenlijst vast te stellen, via een ledenraadpleging, wordt ook gepleit voor STV als methode voor de stemming en het tellen van de stemmen. Daarmee wordt meer gekozen voor representatie (alle geledingen en stromingen vertegenwoordigd) dan voor regeerbaarheid (in dit geval vertaald als een sterke samenhangende ploeg). Al eerder werd dit systeem gebruikt bij de lijsttrekkersverkiezing voor het Europees Parlement. In dat geval ging het om één plek (want het idee van duo-lijsttrekkers hebben we na een wat mindere ervaring laten varen) en dan is de procedure vrij eenvoudig. Er waren vijf kandidaten en iedere stemmer zet die vijf op volgorde van voorkeur, wat leidt tot rijtjes als BJANT JTNBA ATBNJ enzovoort. De stemmen worden geteld en er wordt gekeken hoe vaak elke kandidaat bovenaan het lijstje staat. Als in de eerste ronde niemand door meer dan 50% op plek één is gezet, valt de kandidaat met het minste aantal 1e voorkeuren af. Op alle lijstjes waar deze kandidaat bovenaan stond, wordt vervolgens gekeken wie daarop de 2e voorkeur had en deze stemmen worden toegevoegd aan de andere vier kandidaten. Wordt ook hiermee nog niet de horde van 50% genomen, dan worden de lijstjes van degene bekeken die dan de minste 1e voorkeuren heeft. Dit gaat door tot er een lijsttrekker is gekozen.

Bij STV gaat het om verkiezingen van meerdere kandidaten in een aantal districten, zoals tijdens parlementsverkiezingen. Neem bijvoorbeeld een district waar 5 zetels te verdelen zijn en 80.000 stemmen zijn uitgebracht. Dat betekent dat een kandidaat 16.000 stemmen moet halen om gekozen te worden. Als er 12 mensen in dit district meedoen, zal het niet zo snel voorkomen dat iemand dat aantal eerste voorkeuren meteen haalt. Ook dan valt per telronde de kandidaat af met de minste 1e voorkeuren en worden die stemmen verdeeld over de andere kandidaten, totdat er vijf kandidaten zijn die over de kiesdrempel zijn gekomen. Let wel: het aantal benodigde stemmen is gebaseerd op de verhouding tussen het aantal geldige stemmen en het aantal zetels per district: het is dus niet nodig om 50% te halen. Bovendien levert deze methode weliswaar een volgorde op van kandidaten – nl. de één heeft minder rondes nodig dan de ander om aan de 16.000 te komen – maar uiteindelijk zijn zij alle vijf parlementariër.

In het voorstel voor het referendum gaat het echter wel om het halen van 50% en moet er bovendien een volgorde uitkomen. Als ik de toepassing van STV goed begrijp is het eigenlijk een aaneenschakeling van alternative votes (stemmen per plek).  Ik stel mij het volgende scenario voor: 40% van de stemmers zet Jolande Sap op één, 25% Tofik Dibi, 20% Liesbeth van Tongeren, 10% Jesse Klaver en 5% Mariko Peters.  De tweede voorkeuren van Mariko en daarna Jesse worden verdeeld over de andere kandidaten, wat Jolande precies over de drempel helpt. Voor de tweede plek doen ook de ‘biljetten’ waarop Jolande bovenaan stond weer mee, maar dan wordt gekeken naar de tweede voorkeur, terwijl bij de andere kandidaten naar de eerste voorkeur wordt gekeken (totdat die kandidaten een plek op de lijst hebben gekregen).

De suggestie die wordt gewekt is dat dit de stemming op een congres het dichtst benaderd. Gegeven de methodes bij een grootschalige raadpleging is dat ongetwijfeld waar. De uiteindelijke lijstvolgorde zal misschien ook niet spectaculair afwijken van wat 600 leden in een zaal bij elkaar kunnen bedenken. Maar het cruciale verschil is uiteraard wel dat de reactie op de uitslag van de stemming over de vorige plek bij een congres wel en bij een internetraadpleging niet kan meewegen. Immers, de gehele voorkeursvolgorde is al vooraf gegeven en die kan niet tijdens de rit worden gewijzigd, maar wordt in een reeks van telrondes keurig afgewerkt. Je kiest voor Tofik op twee en Liesbeth op drie, in de veronderstelling dat daarvoor Jolande op één is gekozen. Je zet één van de groene kandidaten wat lager, in de veronderstelling dat die andere al een veilige plek hoog op de lijst heeft. Je wilt nu wel eens iemand van buiten de Randstad, in de veronderstelling dat er al wel voldoende Amsterdammers bij de eerste zes staan.

Eén van de bezwaren tegen STV is dat voor stemmers moeilijk te doorgronden is wat de effecten van hun voorkeursvolgorde zullen zijn. Eén van de bezwaren tegen de concrete toepassing in deze procedure is dat het andere beoogde doel, namelijk een evenwichtige lijst die recht doet aan het advies van de kandidatencommissie, wel eens verder uit zicht zou kunnen raken.Ik laat hier nog even buiten beschouwing dat wanneer je de mogelijkheid hebt minder voorkeuren aan te geven dan het aantal plaatsen, omdat je iemand per se niet op de lijst wilt hebben, de  lijst niet geheel gevuld zal gaan worden. De ironie wil dat een systeem met blokken (te beschouwen als multi-member districts zoals in Ierland) beter geschikt is in combinatie met STV dan een volledige lijst van 20 of 25 kandidaten. Maar dat zal wel vloeken in de kerk zijn…

 

Wij willen kunnen kiezen

Geplaatst door Harmen Binnema op 12 november 2011 / Reageren uitgeschakeld

Mijn eerste GroenLinks congres was in januari 1998 in Zwolle. Je kunt het je nu nauwelijks meer voorstellen, maar dat was een congres verdeeld over twee dagen waarin het verkiezingsprogramma werd vastgesteld. Een maand later volgde nog een congres – volgens mij ook twee dagen – voor de kandidatenlijst. Inmiddels heb ik heel wat congressen meegemaakt, de laatste keer met name achter en op het podium, als kandidaat voor de Eerste Kamer. Veruit de leukste zijn de congressen waarop kandidaten gekozen moeten worden. De presentatie van de kandidaten, de spanning bij de stemmingen, met de ontlading aan het eind. Alleen al om die reden vind ik het voorstel van ons partijbestuur om de lijst niet meer door het congres te laten vaststellen, maar via een ledenreferendum, onverstandig en onwenselijk.

Het is natuurlijk niet alleen maar omdat ik die congressen zo leuk vind en ik ben ook niet tegen vernieuwing van de procedure. Maar het bezwaar tegen dit voorstel is dat het twee verschillende problemen wil oplossen, die niet in één nieuwe procedure te vangen zijn. De oorzaken van beide problemen verschillen namelijk nogal. Laat ik dat verder toelichten.

Ten eerste was er onvrede over het blokkensysteem en wilden veel leden weer terug naar een advies met lijstvolgorde. De kandidatencommissie geeft dan per plek aan welke persoon volgens haar daarvoor geschikt is. Op zo’n manier voorkom je (in theorie!) dat de volgorde door het congres te veel door elkaar wordt gehusseld. Althans, je hebt een extra instrument in handen om dat een beetje te dempen. Het bestuur kiest inderdaad voor het in ere herstellen van de lijstvolgorde en dat lijkt mij prima. Ook ik heb, na mijn aanvankelijke enthousiasme over de blokken, de anti-blokkenmotie gesteund.

Ten tweede was er (blijkbaar) onvrede over de betrokkenheid van leden – dat wil zeggen de overgrote meerderheid die niet op een congres komt – bij de vaststelling van de kandidatenlijst. Er wordt verwezen naar het advies van een commissie-Bogers, een advies dat drie jaar lang een zorgvuldig gekoesterd geheim is geweest, waarin een ledenreferendum wordt bepleit. Nou loop ik toch al een tijdje mee en ik heb ook heel wat discussies over de verkiezingsprocedure in de partijraad meegemaakt en mij was deze onvrede toch een beetje ontgaan, maar vooruit.. Ik ben er op zich voorstander om veel meer leden te betrekken bij het kiezen van de kandidaten en een referendum kan dan een prima middel zijn.

Maar wat de bedenkers van het voorstel zich niet lijken te realiseren, is dat zo’n referendum het eerste probleem alleen maar vergroot. Waar met dank aan de zichtbare uitslagen per plek op het congres, nog tijdens de rit nog correcties kunnen worden aangebracht, kan dat in de alles-in-één anonieme stemming van het referendum niet. Kortom, de kans dat de uiteindelijke lijst die door de leden wordt gepresenteerd, afwijkt van de voordracht van de kandidatencommissie, wordt er alleen maar groter van. En de mogelijkheid om in het referendum met één druk op de knop de integrale voordracht van de commissie over te nemen, wordt in het voorstel expliciet afgewezen.

Zoals gezegd, zo’n referendum vind ik geen gek idee, maar als je tegelijk ook het advies van de kandidatencommissie zwaar wilt laten wegen, betekent dit volgens mij dat de uiteindelijke lijst toch op het congres vastgesteld moet worden. Oftewel, een vaststelling in twee ronden: eerst wordt de conceptlijst op basis van het referendum bekend. Dan kunnen kandidaten laten weten of zij blij zijn met de plek, hoger willen, zich terugtrekken. En de kandidatencommissie kan beoordelen in hoeverre de conceptlijst overeenkomt met haar advies. De laatste stap is dat het congres de lijst definitief vaststelt, waarbij een stevige meerderheid nodig is om kandidaten alsnog te laten stijgen. Het bouwt een extra check in op de evenwichtigheid van de lijst, die mij uit het oogpunt van zorgvuldigheid en het goed functioneren van de toekomstige fractie meer dan welkom lijkt.

De modieuze keuze voor single transferable vote is een discussie op zich waard. Interessant genoeg is het een systeem dat zich goed leent voor aparte lijstrekkersferenda en een indeling in blokken, twee onderdelen die nu juist worden afgeschaft… Daar kom ik volgende week op terug.

 

De managers en de professionals

Geplaatst door Harmen Binnema op 30 oktober 2011 / 1 reactie

Gelukkig werd er dit weekend weer eens gewonnen in de competitie. Ook nog met ruime cijfers, tegen een ploeg waarmee we het anders altijd moeilijk hebben. Het leidde de aandacht, al was het maar voor even, af van de bestuurscrisis die schijnt te woeden in en om de Arena. Met dank aan de Telegraaf (spreekbuis van Cruijff) en Parool/AD (voor het broodnodige tegengeluid) weten we hoe gezellig het eraan toe gaat in de Raad van Commissarissen. Duidelijk is in elk geval dat er nog steeds geen nieuwe technisch directeur is en dat Cruijff nog meer vertrouwelingen in de Ajax-organisatie probeert binnen te krijgen. De kern van het probleem is volgens Cruijff “dat we verschillend denken. Zij zien Ajax als een beursgenoteerd bedrijf. Ik zie Ajax als een voetbalclub.”

Het conflict tussen Cruijff en co. en de anderen is een tegenstelling die in de bestuurskunde en organisatiewetenschap klassiek is geworden: managers tegenover professionals. Het is een tegenstelling die we ook in het onderwijs, in de zorg, in het openbaar vervoer en in veel andere sectoren tegenkomen. Sommigen zijn ervan overtuigd dat je niet goed in staat bent een ziekenhuis te leiden als je niet zelf ook operaties hebt gedaan, of dat je geen goede directeur van een middelbare school kunt zijn als je niet zelf ook voor de klas hebt gestaan. Vandaar de wens van Cruijff om overal in de organisatie ‘voetbalmensen’ in managementposities aan te stellen: je kunt alleen Ajax leiding geven, als je zelf ook hebt gevoetbald. En dan het liefst op een hoger niveau dan Beenhakker, Adriaanse of Van Gaal. Managers die niet die achtergrond hebben, zouden niet snappen hoe een voetbalclub geleid moet worden en zouden ook niet snappen hoe je binnen een club professionals (trainers) tot hun recht kunt laten komen.

Maar de tegenstelling tussen bedrijf en voetbalclub is misleidend: Ajax is natuurlijk allebei. Een stervoetballer is niet meteen een goede trainer en zeker niet meteen een goede manager. Wie op cruciale functies zit in een grote organisatie met veel personeel en een miljoenenbegroting, heeft er weinig aan dat hij in een ver of minder ver verleden zo’n mooie voorzet in huis had. Een deel van Ajax is een bedrijf en moet ook als een bedrijf worden geleid. Juist managers die niet beladen zijn met te veel voetbalachtergrond kunnen de professionals op de Toekomst en in de Arena de ruimte geven om hun kwaliteiten in te zetten. Te veel voetbalkapiteins op een schip leidt alleen maar tot gedoe over de koers, voordat de boot überhaupt kan gaan varen.

In de praktijk blijkt de tegenstelling tussen managers en professionals helemaal geen tegenstelling te zijn. Eerder zijn beide groepen complementair, als ze elkaar tenminste de ruimte geven dat te doen waar elk van beiden goed in is. Ik zou hopen voor mijn cluppie dat Cruijff ooit nog eens tot dat inzicht mag komen. Dan kunnen zowel Steven ten Have als Frank de Boer hun werk doen en staan we volgend jaar weer op het Museumplein. Of op zo’n troosteloze parkeerplaats, maar het gaat om het idee…

 

 
1 van 7212345678910...Laatste