Maatregel op zoek naar probleem

Het kleine kantoorleed: printen en kopiëren moet vooral niet te makkelijk worden gemaakt

Onlangs is onze kopieermachine (officieel multifunctional geheten) van een slot voorzien. Alleen de daartoe aangestelde papierbijvulmedewerker heeft het sleuteltje hiervan en hij is dan ook de enige die ons aan een nieuwe voorraad papier (met en zonder gaatjes, briefpapier, gekleurd papier) kan helpen. Of de machine automatisch doorgeeft dat hij leeg is, of dat dit apart moet worden gemeld, weet ik niet. In elk geval komt van een andere locatie van de universiteit deze meneer in een ongetwijfeld ruime auto hierheen gereden, parkeert hij zijn wagen in de buurt van ons gebouw en laadt vervolgens het papier op een karretje om onze machine bij te vullen.

Navraag leerde dat de machines tegenwoordig worden afgesloten om diefstal  tegen te gaan. Nou weet ik niet precies wat je allemaal kunt doen met een stapel blanco A4-tjes of – mocht het niet voor eigen gebruik zijn – wat tegenwoordig de straatwaarde is van printpapier. Maar eerlijk gezegd kan ik me er weinig bij voorstellen dat bij een kopieermachine die ver weg in een hoek van het pand staat en waar je bovendien niet onopgemerkt naartoe en vandaan kunt lopen van grootschalige papierontvreemding sprake zou zijn.

Toen de nieuwe machines in aantocht waren, was er al sprake was dat de papierlades afgesloten zouden worden. Maar toen waren er goede argumenten – die vandaag overigens nog even relevant zijn als toen – om hiervan af te zien. Helaas lijken we met enige vertraging toch slachtoffer van standaardisatie te zijn geworden, een proces dat sowieso alles wat met ICT te maken heeft teistert.

In de bestuurskunde noemen we dit ook wel “een maatregel op zoek naar een probleem”. Het maakt mij in elk geval nieuwsgierig wie bedacht heeft dat dit handig is en of daaraan voorafgaand wel is onderzocht hoe groot en reëel het probleem nu eigenlijk is. Mij lijkt eerlijk gezegd van niet en het lijkt mij dan ook sterk dat dit slot een lang  leven beschoren is.

Trainen kun je leren

Voor iemand die gewend is zelf colleges te geven, workshops en trainingen te houden, is het heel gezond af en toe weer eens in de andere positie te zitten. Vandaag en volgende week doe ik bij ICM een cursus Inspirerend en creatief trainen en hoewel die termen bij mij een lichte allergie opwekken, is dat wel precies waar ik naar op zoek ben. Aan de ene kant het vermogen om makkelijk te switchen tussen de rollen van docent, trainer, begeleider en coach en aan de andere kant nieuwe werkvormen om soms droge stof op een leuke en boeiende manier over te brengen.

Wat sowieso altijd mooi is aan het doen van een cursus is het uitwisselen van ervaringen met de andere deelnemers.Vandaag realiseerde ik mij weer eens hoe bevoorrecht ik ben dat ik vrijwel altijd te maken met met studenten of deelnemers die uit zichzelf naar een opleiding of training komen en niet omdat het moet voor een certificaat of keurmerk of omdat ze door hun leidinggevende zijn gestuurd. Het is een ideale gelegenheid met nieuwe vormen en oefeningen in aanraking te komen en ze hier echt uit te kunnen proberen, waarbij het ook mis mag gaan – inclusief de constatering dat het geen oefening is die bij mij past.

Tot slot merk ik dat ik niet per se theoretisch veel nieuwe dingen leer, het meeste is bewust of onbewust wel eens voorbijgekomen, maar dat het me dwingt bij wat ik doe en de keuzes die ik maak weer eens nadrukkelijker stil te staan. Wat voor leerstijl heb ik zelf, welke hebben de deelnemers en hoe combineer je dat? Vooral ook als je met allemaal denkers bij elkaar zit en ook eens aan de slag moet… En hoe verhouden al die leuke, creatieve, vernieuwende dingen zich tot de leerdoelen en tot de gewenste resultaten qua kennis, inzicht en toepassing?

Of het wat oplevert? Ik zou zeggen, van harte welkom om dat vanaf half maart persoonlijk te komen ervaren bij de aankomende opleiding Politiek-bestuurlijke sensitiviteit.

Loting en de wijsheid van de menigte

Afgelopen vrijdag was ik bij de oratie van Job Cohen, die in Leiden de Thorbeckeleerstoel mag gaan bekleden. Voor mij de eerste kennismaking met het Academiegebouw en het Groot Auditorium, dat qua historie en sfeer kan wedijveren met onze tegenhanger in Utrecht (hoewel je hier wat comfortabeler zit…). Niet onverwacht gezien deze leerstoel en de bestuurlijke actualiteit ging het uitgebreid over de decentralisaties die sinds 1 januari voor de gemeenten realiteit zijn geworden: jeugdzorg, maatschappelijke ondersteuning en begeleiding naar werk. Job Cohen vroeg met name aandacht voor een vierde D, die van democratie.

Een herkenbaar pleidooi, waarmee hij zich in een traditie plaatst van politicologen, bestuurskundigen en juristen die steeds aandacht hebben gevraagd voor controle, legitimiteit en verantwoording als tegenhanger voor de soms te grote nadruk op efficiency en effectiviteit. De eigen draai die Cohen eraan gaf, had te maken met de opkomst van G1000, eerst in België met David van Reybrouck en inmiddels ook in Nederland door het Platform G1000. Hij noemde als argument hiervoor onder andere de wisdom of crowds, die zou leiden tot een beter en completer antwoord, het principe van loting, waardoor de representativiteit van de deelnemers groter zou zijn en het idee van deliberatie en dialoog in plaats van debat en stemmen.

Elk van die argumenten verdienen een nadere beschouwing. Om met het laatste te beginnen: deliberatieve democratie is een heel interessant idee, maar het stelt hoge eisen aan de deelnemers en heeft nog heel wat haken en ogen. Zowel in praktische zin (hoe voer je dat uit, hoe regel je dat) als in normatieve zin (levert het ‘betere’ besluiten op). Ten tweede: loting als selectiemechanisme heeft onmiskenbaar voordelen, omdat iedereen een gelijke kans heeft mee te doen, in tegenstelling tot de klassieke vormen van inspraak. Maar er zit een forse kloof tussen geselecteerd en uitgenodigd worden en daadwerkelijk meedoen. Dan laat ik wat er vervolgens in het besluitvormingsproces zelf gebeurt, nog buiten beschouwing. Over het derde aspect is ook al veel geschreven en het lijkt erop dat de wijsheid van de menigte vooral goed werkt als het om kennisproblemen gaat – iedereen weet wel iets toe te voegen om zo het plaatje compleet te maken – maar dat het minder goed werkt om normatieve en ethische vragen aan de orde te stellen. Die zijn bij politiek en beleid nooit ver weg.

In een onderzoeksteam onder aanvoering van Job Cohen, waar verder Peer Smets van de VU, Marcel Boogers van Twente, Geerten Boogaards van Leiden, mijn Utrechtse collega Ank Michels en ik deel uitmaken, gaan we de komende anderhalf jaar onderzoek doen naar deze nieuwe vormen van betrokkenheid van burgers, met bijzondere belangstelling voor de G1000. Het mag duidelijk zijn dat we daar de discussie over deliberatieve democratie, wisdom of crowds en loting nog uitgebreid gaan voeren.

Aan het begin van het nieuwe jaar

Inmiddels weet ik niet meer precies waar het hier de afgelopen jaren allemaal over is gegaan, maar ik zal vast wel eens mijn afkeer van goede voornemens hebben laten blijken. Het inschrijven bij de Kamer van Koophandel en het (eindelijk!) aanpassen van mijn website hebben dan ook niet per se met de overgang van 2014 naar 2015 te maken. Maar beide waren wel hard nodig, al zeg ik het zelf.

Om elk misverstand te voorkomen: ik ben nog steeds gewoon docent en onderzoeker aan de Universiteit Utrecht (USBO), dat blijf ik met heel veel plezier doen en daar doe ik regelmatig advies en onderzoek in opdracht. Maar voor de andere workshops en trainingen debatteren en onderhandelen, bijvoorbeeld voor GroenLinks, was het wel zo handig om een eenmanszaakje te starten. Zonder logo op de gevel en zonder auto van de zaak. Het is ook maar afwachten of het meer gaat worden dan de vier à vijf keer per jaar dat ik tot nu toe dit soort activiteiten heb ontplooid. Vooral in de categorie: handig om te hebben.

Voor zover dan toch sprake is van een goed voornemen: ik ben vast van plan het komende jaar meer en vaker te gaan schrijven. Meer op dit weblog dus, maar zeker ook in de klassieke vorm van boek en tijdschrift.

Laat duizend bloemen bloeien

Burgers aan zet. De samenleving voorop. Eigen kracht. Zelfredzaamheid. De doe-democratie. Participatiesamenleving. Aan termen om de nieuwe rol van burger en overheid te duiden geen gebrek. Aan goedbedoelde pogingen om dit concreet vorm te geven ook niet. Maar vaak verzandt het ook in die goede bedoelingen. Overheden vinden het verrassend moeilijk om los te laten en heel wat burgers zitten helemaal niet op extra taken te wachten. Tot zover weinig nieuws vermoed ik.

Een aantal maanden geleden raakte ik betrokken bij G1000, in de Nederlandse variant van wat onder meer Zomergast David van Reybrouck in 2011 in Vlaanderen opzette. Op basis van loting werd een groep mensen bij elkaar gezet om voorstellen te doen, waaruit zij vervolgens in dialoog met elkaar de belangrijkste en kansrijkste moesten selecteren. Dit voorjaar werd een vergelijkbare bijeenkomst gehouden in Amersfoort, vlak na de gemeenteraadsverkiezingen, met ruim 600 deelnemers en een hoop plannen die als het goed is een vervolg krijgen.

Die laatste zin verraadt misschien iets van mijn scepsis over dit soort initiatieven. Een bijzondere ervaring op de dag zelf, heel veel ambitie, energie, enthousiasme, maar wat blijft er de volgende dag over? De volgende week? De volgende maand? Dat is ook de reden voor een groep wetenschappers, onder wie Ank Michels en ik vanuit de Universiteit Utrecht, om naar de doorwerking te kijken van de G1000. Dit is namelijk een vorm van bewonersinitiatief (of welke bestuurskundige term je ook erop plakt) die, mits goed uitgevoerd en evaluerend en aanpassend onderweg, zou kunnen werken.

Met ‘werken’ bedoelen we dan: mensen zelf het initiatief geven, samenwerking met de politiek verbeteren, aansluiten bij bestaande (wijk)initiatieven, relevante thema’s agenderen. Kortom: burgerschap vergroten en de andere overheid vormgeven. Een mooie onderzoeksagenda om de komende twee jaar mee aan de slag te gaan. En wie weet positief verrast te worden.

Als dat maar goed gaat

Leg de verantwoordelijkheid zo laag mogelijk en organiseer alleen centraal wat centraal geregeld moet worden. Zowel in de ruimtelijke ordening als in het sociale domein is dit idee de laatste jaren dominant geworden. Het herinnert aan het begrip subsidiariteit dat in de Europese Unie sinds de jaren ’90 van de vorige eeuw veel wordt gebruikt. De aanstaande decentralisaties van de Wmo, jeugdzorg en Participatiewet, in politiek-ambtelijk jargon de 3D, passen helemaal in dit plaatje.

Wat ook past in het beeld van de decentralisaties van de laatste decennia is dat een heldere visie waarom juist deze taken juist nu gedecentraliseerd moeten worden ontbreekt en dat tot op het laatst onduidelijkheid blijft bestaan over het precieze budget dat beschikbaar zal zijn. De enige zekerheid is dat het minder zal zijn dan voorheen. Bij de decentralisaties in het sociale domein geldt dat nog sterker: de problemen zijn ‘wicked’ en de maatschappelijke omgeving is complex. Zowel in het huidige systeem als in het nieuwe zijn fouten en incidenten onvermijdelijk.

De argumenten die voor decentralisatie worden aangehaald zijn samen te vatten als: dichter bij burgers, meer maatwerk, integraler en efficiënter. De veronderstelling is dat de gemeente haar inwoners beter kent dan op afstand staande uitvoeringsorganisaties en zo ook beter op de specifieke wensen en behoeften van burgers kan inspelen. Door verschillende regelingen bij elkaar te brengen binnen één bestuurslaag kan beleid beter worden afgestemd, wordt afwenteling of overlap voorkomen en daarmee zou het meer value for money bieden. De effecten van decentralisatie zouden bovendien zijn dat burgers meer betrokken raken en de kwaliteit van beleid toeneemt. Het interessante is dat er in het bestuurskundig onderzoek, zowel in Nederland als in Europees vergelijkend perspectief, amper empirische ondersteuning voor deze gedachten is te vinden. Tegelijk spelen ze in de politieke discussie een grote rol als rechtvaardiging voor decentralisatie.

Wanneer we als criterium hanteren dat lokale overheden met de nieuwe taken en bevoegdheden redelijk uit de voeten kunnen en er geen al te grote ongelukken gebeuren, kunnen we zeggen dat de decentralisaties tot op heden zijn geslaagd. Vanuit dit perspectief mag er het nodige optimisme zijn dat het ook voor de drie decentralisaties op zal gaan. De politieke logica leert bovendien dat hoewel er nog heel wat rafelrandjes zijn en grensconflicten op de loer liggen, de datum van 1 januari 2015 behoorlijk onwrikbaar is geworden en gemeenten alles in het werk zullen stellen die deadline te halen.

Uitstel is geen optie meer. Of dat verstandig is, kun je je afvragen, maar aan de andere kant leert de ervaring dat decentralisatie altijd gaat met vallen en opstaan. Dat lijkt me een nuance om in gedachten te houden voor een ieder die de komende maanden kritisch gaat kijken hoe de gemeenten het er met het nieuwe geld en het nieuwe beleid vanaf gaan brengen.

(gebaseerd op de inleiding gehouden bij de bijeenkomst van het Expertisecentrum Journalistiek over de toekomst van het lokaal bestuur op 24 juni jl.)

Wat de toekomst brengen moge

Zelfs Den Helder lijkt een nieuw college te hebben, het wachten is nu dus nog op de echte hekkensluiter Zutphen. Wie sommige collegeprogramma’s leest, vraagt zich in gemoede af waarom het zo lang heeft geduurd om een dergelijke verzameling algemeenheden aan het papier toe te vertrouwen. Ook de komende vier jaar zal er weer veel gestreefd, gestimuleerd en gesteund worden, om er maar vooral niet op afgerekend te kunnen worden. Er wordt veel bestaand beleid voortgezet, wat gezien de smalle marges van de gemeentelijke politiek ook niet zo vreemd is. Net als in de aanloop naar de verkiezingen, ontbreekt in veel akkoorden een duidelijke visie op de grote klus die de gemeenten straks te wachten staan: de drie decentralisaties. De financiële onderbouwing is matig en soms zelfs afwezig.

Tot zo ver weinig nieuws onder de zon. Verrassender vind ik dat velen toch nog verbaasd en soms zelfs verontwaardigd zijn dat die collegeprogramma’s zo weinig voorstellen. De een krijgt dit een beetje, de ander dat. Over zinnen waar de buitenstaander geen kwaad in kan ontdekken, is tot diep in de nacht gestreden. Wie had gehoopt dat met de winst van D66 een andere wind zou gaan waaien, komt bedrogen uit. Bestaande politieke en bestuursculturen zijn hardnekkig en met de toegenomen electorale fragmentatie is de vlucht in onherkenbare compromisteksten des te aantrekkelijker.

Het goede nieuws is dat dit voor de komende vier jaar weinig zal uitmaken. De toekomst is onvoorspelbaar als altijd en over veel van de uitdagingen die colleges en raden tegemoet gaan zien, staat geen letter in het collegeakkoord. Andersom blijkt dat de aanvankelijk in steen gehouwen teksten na verloop van tijd steeds meer ruimte voor interpretatie en flexibiliteit overlaten. Dat is maar goed ook, want we zouden die programma’s eens echt serieus gaan nemen… daar moet je toch niet aan denken.