Linkse samenwerking

Wellicht heeft de politieke ervaring van de afgelopen jaren mij wat te somber gemaakt, maar ik geloof niet zo erg in alle optimistische verhalen over linkse samenwerking. Dit was overigens niet de reden om de Ander NL manifestatie (mooi die groene en rode letters!) aan mij voorbij te laten gaan. Op zich was ik best nieuwsgierig naar de speeches van de drie lijsttrekkers en het gevoel dat ik zou krijgen bij toenadering tussen PvdA, SP en GroenLinks, maar nog zo veel dingen te doen… Tussen die andere activiteiten door zag ik wel via twitter een hele stroom berichten voorbij komen en tegen vijven de livestream van Job Cohens helemaal niet onaardige toespraak.

Enige tijd geleden werd in linkse kringen wat meewarig gedaan over de oproep van Mark Rutte om bij de Statenverkiezingen op één van de drie regeringspartijen te stemmen. Alsof de verschillen tussen die partijen ineens verdwenen waren? En Rutte was toch zelf van de VVD? Aan de linkerkant zie ik echter een vergelijkbare reactie: de linkse partijen lijken het eind van het kabinet-Rutte tot doel in zichzelf te hebben gemaakt. Als er maar een linkse meerderheid in de Eerste Kamer komt, maakt het niet zoveel uit op welke partij iemand stemt.

Ik hoop van harte dat het kabinet geen meerderheid in de senaat krijgt, maar dan vooral omdat GroenLinks heel groot geworden is. Dit zeg ik helemaal los van het persoonlijk belang dat ik daar als kandidaat bij heb… Maar de boodschap van deze verkiezingen moet naar mijn idee niet zijn dat we streven naar een “linkse” Eerste Kamer maar naar een “groenlinkse”.  Al te vaak heb ik bij landelijke verkiezingen meegemaakt dat GroenLinks stabiel bleef of licht verloor, maar we vervolgens geacht werden blij te zijn omdat de PvdA wel gegroeid was. Het risico is dat we zo hard roepen hoe belangrijk een linkse meerderheid is, dat we de twijfelende kiezer alle reden geven naar SP, D66 of PvdA uit te wijken. Terwijl het toch onze taak is uit te dragen dat het enige echte antwoord op dit kabinet GroenLinks is.

Bovendien gaan deze verkiezingen niet alleen maar om de Eerste Kamer. Ik ga mijn derde provinciale campagne tegemoet en heb door schade en schande geleerd dat de landelijke politiek hier een stevige schaduw over legt. Dat is bij deze verkiezingen meer dan ooit het geval. Maar het lijkt me toch ook in ons belang dat GroenLinks in alle provincies groot en sterk wordt en dat we de urgentie van een stem op GroenLinks benadrukken. Zodanig dat andere partijen bij collegevorming niet om ons heen kunnen. Want als de ervaring in de provincies in de afgelopen jaren iets heeft geleerd, dan is het wel dat de partij met wie we nu innige linkse samenwerking lijken te zoeken ons meer dan eens fors in de steek heeft gelaten.

Radio 1: Harmen Binnema in gesprek met Max van den Berg

Op 2 maart zijn de verkiezingen voor Provinciale Staten. In de aanloop naar die verkiezingen zijn de provincies druk bezig om zich te profileren, maar heeft dat wel zin? Want de opkomst bij de Statenverkiezingen is altijd laag.

Harmen Binnema / Radio 1

Een gesprek hierover met Harmen Binnema, statenlid voor GroenLinks in Noord-Holland en docent bestuur en beleid aan de Universiteit van Utrecht en Max van den Berg, commissaris van de koningin in Groningen.

Klik hieronder op de afspeelknop om het fragment te beluisteren.

Harmen Binnema in gesprek met Max van den Berg

Proeven aan de provincie IV: Amsterdam

Dat het provinciehuis in Haarlem staat, de hoofdstad van Noord-Holland, durf ik zomaar als bekend te veronderstellen. Ik zou hele verhalen kunnen schrijven over de moeizame verhouding tussen deze gemeente en de provincie, maar wilde het nu hebben over de al even ingewikkelde relatie met de nationale hoofdstad: Amsterdam.

Ik heb mij laten vertellen dat het in het verleden nog erger is geweest, maar ook nu zie ik nog vaak dat Amsterdam en de provincie met de rug naar elkaar staan. Naastgelegen gemeenten klagen dat Amsterdam het zoet voor zichzelf houdt en het zuur over de schutting gooit. Eerlijk gezegd kan Amsterdam best zonder de provincie. De begroting van de stad is immers al iets van tien keer zo groot als die van de provincie. Amsterdam heeft de nodige bevoegdheden in de ruimtelijke ordening en verkeer en vervoer, waarbij de provincie vaak het nakijken heeft. Met vroeger Cohen en nu Van der Laan heeft Amsterdam uitstekende connecties in Den Haag, om rechtstreeks een hoop voor elkaar te krijgen.

Er is een sterk sentiment in Provinciale Staten, zeker bij die partijen die vooral hun aanhang buiten de steden hebben, dat Amsterdam veel te veel te zeggen heeft, arrogant en eigenwijs is. De provincie komt alleen in beeld als Amsterdam wat extra geld kan gebruiken of wanneer men de buurgemeenten nodig heeft. Maar ook binnen GroenLinks kom ik dit regelmatig tegen als ik Hoorn of Alkmaar ben (om twee voorbeelden te noemen): altijd weer die Amsterdammers. Na bijna acht jaar word ik geloof ik wel als volbloed provinciaal gezien, maar een aantal van mijn opvolgers zal dit ongetwijfeld gaan merken. Het merkwaardige is dat tegelijk veruit het grootste deel van de Noord-Hollandse leden in Amsterdam woont en we de stad electoraal heel hard nodig hebben.

Een ander probleem zit bij de Stadsregio Amsterdam (SRA, vroeger het ROA). Hoe effectief en slagvaardig deze Wgr+ regio is, daar valt nog een flinke boom over op te zetten, maar het democratisch tekort is voor iedereen wel duidelijk. Deze mini-provincie in de provincie levert de nodige afstemmingsproblemen en grensconflicten op. Het afschaffen van dit soort rare constructies is één van de weinige onderdelen van het regeerakkoord waar ik me wel in kan vinden.

Aan de andere kant is de SRA wellicht een teken dat we het in Noord-Holland nog redelijk goed hebben getroffen. Zuid-Holland heeft met Haaglanden en Rijnmond te maken met Den Haag en Rotterdam als grote steden, van de provincie Utrecht blijft buiten de stad Utrecht en de BRU niet zoveel over. Bovendien merk ik dat de weerstand tegen Amsterdam begint af te nemen: een paar jaar geleden was het ondenkbaar dat de Noordvleugel omgedoopt zou worden in Metropoolregio Amsterdam, nu wordt dat als sterk nationaal en internationaal merk gezien. En is het ook niet typisch GroenLinks over grenzen heen te denken? 

Wie bewaart, die heeft wat

Waarschijnlijk was het een combinatie van ouderdom en karakter, maar mijn oma had de neiging nogal veel te bewaren. In het klein waren dat de zorgvuldig uitgeknipte krantenberichtjes die op de eettafel verspreid lagen, in het groot de zolder die zo volgestopt was dat je je er een uur kon verstoppen zonder bang te zijn gevonden te worden. Overigens droeg mijn opa daar met een enorme verzameling al dan niet theologische boeken ook flink aan bij. Het vraagt dan ook weinig voorstellingsvermogen te bedenken hoeveel werk het kostte dat alles op te ruimen toen mijn opa er niet meer was en mijn oma naar het verzorgingshuis vertrok.

Ik betrap mezelf ook op deze bewaarzucht. Onder de aanname dat ik nog niet aan het dementeren ben, moet ik dat wijten aan de genen en aan de stem in mijn hoofd die zegt “wie bewaart, die heeft wat”. Toen ik nog jong was, knipte ik elke week de uitslagen en de standen van diverse voetbalcompetities uit de Voetbal International om daar vele plakboeken mee te vullen (dit was ook de tijd dat ik alle uitslagen van Ajax tot een paar jaar terug feilloos wist). Tegenwoordig zijn het kranten, tijdschriften en vooral provinciale stukken die ik licht maniakaal bewaar.

Al even voorspelbaar is dat ik aan het eind van het jaar (de kersttijd is niet voor niets een tijd van bezinning) een ernstige behoefte voel om op te ruimen. Dat gaat veruit het makkelijkst met de tijdschriften, waarvan ik dezer dagen alle afleveringen uit 2009 naar de papierbak breng. U kunt hier terecht uit constateren dat tot en met december 2011 alle afleveringen van 2010 blijven liggen… Met een iets hogere frequentie gooi ik de kranten weg, want bij de krantenbak valt het iets meer op dat hij overladen raakt. De reden voor het bewaren is hier nog het meest duister, want de kans is nihil dat ik vandaag nog behoefte heb de krant van 13 december te lezen (maar hij ligt er nog wel).

Van de stukken die de provincie mij in ongekende gulheid sinds maart 2003 vrijwel dagelijks toestuurt, kan ik nog moeilijker afscheid nemen. De meeste ervan liggen op hoge stapels, waarbij ik amper meer weet welke documenten uit welke periode van welke commissie waar liggen. Sommige zijn quasi-geordend verzameld in opbergboxen met veelzeggende titels als ‘Noordzeekanaalgebied’, ‘OV projecten’ en ‘Wieringerrandmeer’. Hoewel de harde praktijk leert dat ik vrijwel nooit meer oude stukken raadpleeg, omdat het meeste in mijn hoofd zit of op de site van de provincie terug te vinden is, kan ik definitief afscheid nemen nauwelijks over mijn hart verkrijgen. Gelukkig word ik daar met het einde van mijn Statenperiode in zicht wel wat makkelijker in, maar plannen en visies in de papierbak zien verdwijnen blijft pijnlijk.

Als ik dus toch een goed voornemen voor 2011 moet formuleren, dan zou het zijn mezelf aan te leren dat weggooien mij niet per se een slecht mens maakt. Maar “opgeruimd staat netjes” gaat het gelukkig nooit worden.

Proeven aan de provincie III: Geld

Er is een wijdverbreid idee dat bij de provincie het geld tegen de wanden klotst. Tot voor kort was dat behoorlijk waar en ook nu zijn provincies nog steeds niet armlastig. Maar net als de gemeenten ontkomt het middenbestuur de komende jaren niet aan stevige bezuinigingen. Noord-Holland heeft bijvoorbeeld voor de begroting van 2011 bijna 65 miljoen aan bezuinigingen opgenomen. Voor een belangrijk deel is dat het gevolg van kortingen door het Rijk. In de vorige kabinetsperiode is in totaal 1,1 miljard bij de provincies weggehaald en ook de bezuinigingen van het huidige kabinet zullen gevolgen voor de provincies hebben.

Daar staat tegenover dat veel provincies recent hun aandelen Essent of NUON hebben verkocht – Noord-Holland overigens met grote tegenzin – en daarvoor fors gecasht hebben. Vooral bij grootaandeelhouders als Noord-Brabant en Gelderland liep dit in de miljarden. Een financiële purist zal waarschijnlijk tegenwerpen dat het hier om incidentele middelen gaat (je kunt immers maar één keer verkopen en de jaarlijkse dividenden vallen weg), maar met dat geld is wel voor lange tijd een hoop leuks te doen. Waarschuwing: met het verschil tussen structureel en incidenteel zul je als nieuw Statenlid vaker om de oren worden geslagen.

Wanneer een tekort op de begroting dreigt (en de provincie wordt geacht meerjarig een sluitende begroting te hebben), zijn er kortweg twee mogelijkheden: meer inkomsten of minder uitgaven. Bij de laatste Noord-Hollandse begroting is vooral de discussie gevoerd over terugdringen van de uitgaven door een aantal taken af te stoten en andere op een lager pitje te zetten. Op het ‘Profiel provincies’ en de bijbehorende kerntaken kom ik een andere keer nog terug.

Hier wil ik het hebben over de inkomsten van de provincie. Die zijn eigenlijk heel overzichtelijk, wat aan de ene kant prettig is en aan de andere kant precies het probleem aangeeft. Een belangrijk deel is afkomstig van het Rijk, via het Provinciefonds (in Noord-Holland voor 2011 naar verwachting zo’n 110 miljoen) en via specifieke uitkeringen, bijvoorbeeld voor jeugdzorg of openbaar vervoer (een kleine 120 miljoen). Daarnaast is er een klein bedrag aan leges en heffingen en een wat groter bedrag aan dividenden.

Dé knop waar de provincie zelf aan kan draaien om meer inkomsten te krijgen zijn de opcenten op de motorrijtuigenbelasting. De gemiddelde automobilist zal het niet doorhebben, maar een deel van het bedrag dat hij/zij betaalt, vloeit naar de provinciale kas. Jaarlijks bepaalt elke provincie zelfstandig het opcententarief, waarbij Noord-Holland al jaren het laagste tarief heeft (sommige partijen zijn daar trots op…) en Zuid-Holland het hoogste. De 67,9 opcenten leveren Noord-Holland zo’n 190 miljoen per jaar op, wat betekent dat elke opcent staat voor ongeveer 2,8 miljoen. Bij een opcentenverhoging – die in 2012 kan ingaan – is het verstandig rekening te houden met de omliggende provincies Utrecht en Flevoland en onder hun tarief te blijven. Dat zou betekenen dat de opcenten nog met 4,5 punt omhoog kunnen, waarmee je structureel ruim 12 miljoen extra te besteden hebt. Misschien geen populair verhaal in tijden van bezuinigingen, maar wel de moeite van het onderzoeken waard.

Tot slot kan ik er niet omheen ook een flinke smet uit de afgelopen jaren te noemen, die alles te maken heeft met de wens wat meer geld binnen te krijgen. Noem de woorden Noord-Holland en IJsland in één zin en vrijwel iedereen weet waar het over gaat. Omdat de provincie vrij grote reserves heeft – voor projecten zoals de 2e Zeesluis, Zuidas of Westfrisiaweg – die op korte termijn niet allemaal besteed zullen worden, werd besloten dat geld tijdelijk op verschillende spaarrekeningen te zetten. Ook in het buitenland en dus ook in IJsland, bij Landsbanki. Een bedrag van 78 miljoen is na het omvallen van die bank ‘onzeker’, wat zoveel wil zeggen dat we niet weten wanneer we het terugkrijgen en welk deel van dat bedrag. Het leidde tot een onderzoek door een speciale commissie uit de Staten en het opstappen van meerdere gedeputeerden en in de nasleep ook de Commissaris van de Koningin.

Inmiddels staat al het geld dat we tijdelijk niet nodig hebben, bij het ministerie van Financiën in het kader van schatkistbankieren. Minder rente, maar meer zekerheid. Ik durf wel te voorspellen dat ergens in de komende vier jaar een Statenlid gaat vragen of we niet moeten proberen een wat beter rendement te behalen…

Dit is deel drie van mijn serie ‘Proeven aan de provincie’. Eerdere afleveringen gingen over moties en vragen.