No flyerzone

Wilt u misschien een flyer? Nou, nee, dank u, eigenlijk niet

Als congresganger ergerde ik me regelmatig aan de grote hoeveelheid flyers die je gedurende de dag in je handen geduwd krijgt of die her en der verspreid liggen. Misschien niet eens heel principieel (al is het uiteraard erg voor alle bomen en boompjes die daaronder lijden), maar vooral omdat de meeste flyers nauwelijks worden gelezen en zeker niet vaak de doorslag op iemand te stemmen. Ze blijven aan het eind van de dag dus ook slingeren, of je stopt ze nog wel in je tas om ze thuis in de papierbak te laten verdwijnen, maar doet er verder niks meer mee.

Ik beken schuld –  bij het congres vier jaar geleden had ik ook flyers en ik heb zelf mensen geronseld om die samen met mij uit te delen. Maar morgen geen flyers voor mij. Wat ik wil vertellen over mezelf staat op de website en in de congreskrant en anders kun je via dit weblog, Facebook en twitter meer over mij te weten komen dan mij lief is 🙂 Bovendien loop ik vanaf de eerste minuut rond in Amersfoort en ga ik graag met iedereen in gesprek.

In plaats daarvan kunnen mijn medecongresbezoekers morgen ansichtkaarten vinden, met de vraag om mij goede raad, een lijfspreuk, een succeswens of elk ander soort bericht mee te geven. Nog even bewaren, want… als alles gaat zoals ik hoop, ben ik vanaf juni lid van de Eerste Kamer en niets lijkt mij leuker dan elke week in de Haagse brievenbus ansichtkaarten van leden te vinden. Een mooie herinnering aan het congres en een mooie manier om aan een nieuwe politieke uitdaging te beginnen.

Twitter ze!

Vanochtend zijn mijn collega Madelinde en ik weer begonnen met ons keuzevak over sociale media. Eén van de thema’s in de komende weken zal zijn hoe politici gebruik maken van twitter en Facebook om zich aan (potentiële) kiezers te presenteren en welk beeld van zichzelf zij daarbij proberen neer te zetten.

Diverse onderzoeken laten zien dat volgers en vrienden het waarderen wanneer de politicus niet alleen maar vertelt over debatten, moties en werkbezoeken, maar ook iets van zijn of haar persoonlijk leven en drijfveren laat zien. De balans is overigens lastig te vinden, omdat een politicus bij uitstek met ‘multiple audiences’ te maken heeft, met uiteenlopende voorkeuren en behoeften – zo krijg ik wel eens commentaar als het te vaak over Ajax gaat. Aan de andere kant blijkt het effect van al die activiteit op sociale media op het stemgedrag klein. Het kan een beetje helpen, maar het is niet aan te raden om alles in te zetten op sociale media in verkiezingstijd, want bij kiezers spelen veel andere factoren een grotere rol.

Mede om die reden vind ik het boeiend om te zien hoe verschillende GroenLinks-kandidaten voor de Eerste Kamer (ja ja, ik ook hoor #hb5) zich deze weken op Facebook en twitter presenteren. Wat vertellen zij over zichzelf, hoe proberen zij sympathiek over te komen en in hoeverre helpen de ‘likes’ en aanbevelingen van anderen daarbij? Bovendien weet geen van ons wie er precies op het congres zullen zijn, behalve dat je iets kunt weten met dank aan de aanmeldingen bij het Facebookevent. Dus hoe bepaal je op wie je je met je boodschap gaat richten?

Posten op twitter en Facebook heeft sterk het karakter van schieten in allerlei richtingen en hopen dat je af en toe raak schiet. Een leuk tijdverdrijf, zeker voor de insiders in de partij en de liefhebbers van interne campagne, maar op het nut valt nog wel wat af te dingen.

Meer dan verkiezingen

De verkiezingen voor Provinciale Staten komen eraan en dat is altijd een mooie gelegenheid voor diverse beschouwers te somberen over het nut van de provincie en de opkomstcijfers. Ook de discussie over het indirect kiezen van de Eerste Kamer popt telkens weer op. Wat is eigenlijk de band tussen de Staten en de senaat? Zou de Eerste Kamer ook niet rechtstreeks door de bevolking moeten worden gekozen?

Opvallend aan dit soort betogen is dat ze allemaal focussen op electorale aspecten van democratie. Een lage opkomst bij verkiezingen is een slecht teken, volgens de redenering: hoe meer mensen gaan stemmen, des te legitiemer is de volksvertegenwoordiging. En de beste manier van kiezen is direct. Vanuit ditzelfde perspectief is 20 jaar geleden gekozen voor directe verkiezingen voor het waterschap, sinds de vorige keer inclusief politieke partijen (bijna ondergesneeuwd: ook de waterschapsverkiezingen zijn op 18 maart…).

Er zijn echter andere en wellicht zelfs betere manieren om democratie vorm te geven en bijbehorende waarden als participatie, vertegenwoordiging en legitimiteit te bereiken. David van Reybrouck zoekt in Tegen verkiezingen de oplossing in nieuwe vormen van betrokkenheid, die hij via het aloude mechanisme van loting wil bewerkstelligen. De G1000’s die hiervan een concreet uitvloeisel zijn laten zien dat er heel veel kan gebeuren naast en buiten de traditionele electorale democratie. Mijn oud-collega Adriejan van Veen wijst in zijn proefschrift over markttoezicht op vertegenwoordiging door niet-gekozen organen die net zo waardevol en inhoudelijk kan zijn. Ook dat nuanceert de noodzaak om voor elke functie of elk orgaan verkiezingen te houden.

In lijn hiermee is er dan ook veel voor te zeggen om de indirecte verkiezing van de Eerste Kamer en de bijbehorende rol als chambre de réflexion te behouden. Dat de Eerste Kamer niet ‘wegstuurbaar’ is (om de merkwaardige term van Wouter Bos te gebruiken) en daarmee niet onderhevig aan electorale logica is alleen maar toe te juichen. Wanneer de Eerste Kamer bovendien nog meer de verbinding zoekt met al die verschillende burgers, organisaties, belangengroepen en kennisinstituten die buiten de klassieke kanalen om mee denken en mee doen, wordt des te meer waargemaakt dat democratie zoveel meer is dan verkiezingen alleen.

De andere kant van het Binnenhof

Vier jaar geleden was ik er dichtbij, met uiteindelijk een zevende plek op de lijst na diverse spannende stemrondes. De afgelopen tijd, toen Yolan Koster (nummer zes) weer wethouder werd in Woerden, had ik de onduidelijke status van eerste opvolger. Maar zoals mag blijken uit de kandidatenlijst die vandaag werd gepresenteerd willen vier van de huidige vijf graag door en zullen ze zeker ook deze termijn netjes afmaken, net als fractievoorzitter Tof Thissen.

Zo besloot ik dus vorig jaar zomer mij opnieuw kandidaat te stellen en na twee gesprekken met de kandidatencommissie vorig najaar en lange tijd het mooie advies nog niet mogen rondbazuinen, kan ik vanaf nu iedereen vertellen dat men mij graag op plek 5 wil hebben. Als we hetzelfde aantal zetels zouden halen als in 2011, zou dat voor mij betekenen dat ik senator mag worden. De commissie zegt over mij onder meer:

“Hij is goed in staat om verbinding te leggen tussen de wetenschap, de alledaagse politiek en de uitwerking daarvan in de praktijk. Harmens benadering, sterk inhoudelijk en tegelijk analytisch, past bij het werk van de Eerste Kamer. Hij is een gedreven politicus en een uitstekend debater.”

Maar eerst is er uiteraard nog het congres op 7 februari, want het hoogste en laatste woord is aan de leden van GroenLinks. Een mooie uitdaging om de komende weken te laten zien waarom ik het vertrouwen verdien op plek 5 te komen om onze mooie partij en onze mooie idealen in Den Haag te gaan vertegenwoordigen.

Loting en de wijsheid van de menigte

Afgelopen vrijdag was ik bij de oratie van Job Cohen, die in Leiden de Thorbeckeleerstoel mag gaan bekleden. Voor mij de eerste kennismaking met het Academiegebouw en het Groot Auditorium, dat qua historie en sfeer kan wedijveren met onze tegenhanger in Utrecht (hoewel je hier wat comfortabeler zit…). Niet onverwacht gezien deze leerstoel en de bestuurlijke actualiteit ging het uitgebreid over de decentralisaties die sinds 1 januari voor de gemeenten realiteit zijn geworden: jeugdzorg, maatschappelijke ondersteuning en begeleiding naar werk. Job Cohen vroeg met name aandacht voor een vierde D, die van democratie.

Een herkenbaar pleidooi, waarmee hij zich in een traditie plaatst van politicologen, bestuurskundigen en juristen die steeds aandacht hebben gevraagd voor controle, legitimiteit en verantwoording als tegenhanger voor de soms te grote nadruk op efficiency en effectiviteit. De eigen draai die Cohen eraan gaf, had te maken met de opkomst van G1000, eerst in België met David van Reybrouck en inmiddels ook in Nederland door het Platform G1000. Hij noemde als argument hiervoor onder andere de wisdom of crowds, die zou leiden tot een beter en completer antwoord, het principe van loting, waardoor de representativiteit van de deelnemers groter zou zijn en het idee van deliberatie en dialoog in plaats van debat en stemmen.

Elk van die argumenten verdienen een nadere beschouwing. Om met het laatste te beginnen: deliberatieve democratie is een heel interessant idee, maar het stelt hoge eisen aan de deelnemers en heeft nog heel wat haken en ogen. Zowel in praktische zin (hoe voer je dat uit, hoe regel je dat) als in normatieve zin (levert het ‘betere’ besluiten op). Ten tweede: loting als selectiemechanisme heeft onmiskenbaar voordelen, omdat iedereen een gelijke kans heeft mee te doen, in tegenstelling tot de klassieke vormen van inspraak. Maar er zit een forse kloof tussen geselecteerd en uitgenodigd worden en daadwerkelijk meedoen. Dan laat ik wat er vervolgens in het besluitvormingsproces zelf gebeurt, nog buiten beschouwing. Over het derde aspect is ook al veel geschreven en het lijkt erop dat de wijsheid van de menigte vooral goed werkt als het om kennisproblemen gaat – iedereen weet wel iets toe te voegen om zo het plaatje compleet te maken – maar dat het minder goed werkt om normatieve en ethische vragen aan de orde te stellen. Die zijn bij politiek en beleid nooit ver weg.

In een onderzoeksteam onder aanvoering van Job Cohen, waar verder Peer Smets van de VU, Marcel Boogers van Twente, Geerten Boogaards van Leiden, mijn Utrechtse collega Ank Michels en ik deel uitmaken, gaan we de komende anderhalf jaar onderzoek doen naar deze nieuwe vormen van betrokkenheid van burgers, met bijzondere belangstelling voor de G1000. Het mag duidelijk zijn dat we daar de discussie over deliberatieve democratie, wisdom of crowds en loting nog uitgebreid gaan voeren.

Aan het begin van het nieuwe jaar

Inmiddels weet ik niet meer precies waar het hier de afgelopen jaren allemaal over is gegaan, maar ik zal vast wel eens mijn afkeer van goede voornemens hebben laten blijken. Het inschrijven bij de Kamer van Koophandel en het (eindelijk!) aanpassen van mijn website hebben dan ook niet per se met de overgang van 2014 naar 2015 te maken. Maar beide waren wel hard nodig, al zeg ik het zelf.

Om elk misverstand te voorkomen: ik ben nog steeds gewoon docent en onderzoeker aan de Universiteit Utrecht (USBO), dat blijf ik met heel veel plezier doen en daar doe ik regelmatig advies en onderzoek in opdracht. Maar voor de andere workshops en trainingen debatteren en onderhandelen, bijvoorbeeld voor GroenLinks, was het wel zo handig om een eenmanszaakje te starten. Zonder logo op de gevel en zonder auto van de zaak. Het is ook maar afwachten of het meer gaat worden dan de vier à vijf keer per jaar dat ik tot nu toe dit soort activiteiten heb ontplooid. Vooral in de categorie: handig om te hebben.

Voor zover dan toch sprake is van een goed voornemen: ik ben vast van plan het komende jaar meer en vaker te gaan schrijven. Meer op dit weblog dus, maar zeker ook in de klassieke vorm van boek en tijdschrift.

Wie heeft hier de regie?

Francis Ford Coppola, Lars von Trier, David Lynch, Alex van Warmerdam. Allemaal regisseurs die staan voor een eigen visie en herkenbare stijl en zo een behoorlijk stempel hebben gedrukt op de films en toneelstukken die zij maakten. Natuurlijk waren zij ook afhankelijk van briljante acteurs, maar het lijdt nauwelijks twijfel dat zonder hun inbreng deze voorstellingen er heel anders uit hadden gezien (of überhaupt niet waren gemaakt). Regisseren betekent sturen, richting geven, invulling geven aan je ideeën, soms best dominant en met harde hand.

Vorige week was ik bij de presentatie van het concept-verkiezingsprogramma van GroenLinks Utrecht voor de provinciale verkiezingen die volgend jaar maart worden gehouden. Daar viel regelmatig de term ‘regisseur’ als het over de rol van de provincie ging. Het is een term die ik toen ik zelf Statenlid was ook al vaak hoorde. Als onderzoeker van het lokaal bestuur hoor ik hem nu regelmatig bij de discussie over de nieuwe rol van gemeenten als straks allerlei taken gedecentraliseerd zijn. Gek genoeg lijkt regie dan iets veel bescheideners te zijn. Meer als een onzichtbare kracht op de achtergrond, die op het juiste moment aan de juiste touwtjes trekt. Vooral anderen het echte werk laten doen, met als risico dat jij toch weer wordt aangekeken als het misgaat.

Het makkelijkste verwijt dat je (zeker als oppositiepartij) een bestuurder kunt maken is: “u heeft geen regie”, of in de onschuldigere variant: “wie heeft hier de regie?” Het is een verwijt dat moeilijk te pareren valt en een vraag die lastig is te beantwoorden. Want daar waar zelfs eigenwijze acteurs bereid zijn regieaanwijzingen op te volgen, als die aan de kwaliteit van de film of het toneelstuk bijdragen, zijn de partijen die hard roepen om regie even later niet bereid om de sturing die daarbij hoort te accepteren.

Hoeveel twijfel ik ook heb, in een tijd van network governance , bij simpele kreten als ‘decentraal wat kan, centraal wat moet’ of ‘je gaat erover of niet’ soms denk ik wel eens dat dat te prefereren is boven het steeds maar weer laten aanleunen van een regisserende rol waarin je het toch nooit goed kan doen. Zou regie betekenen dat je meer bent dan een oliemannetje (in de positieve variant) of een zondebok (in de negatieve variant), dan zou het een rol kunnen zijn die de provincie en de gemeente erg past. Zo niet, dan zou mijn advies zijn vriendelijk voor de eer te bedanken.